Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
19/1351 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Beoordeling meerdere periodes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1351 ANW

Datum uitspraak: 12 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2019, 18/3105 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 23 juli 2021. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de Svb de aanvraag van appellante om een

nabestaandenuitkering afgewezen, omdat de echtgenoot van appellante op de dag van overlijden niet verzekerd was voor de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij besluit van

4 december 2014 heeft de Svb het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. De ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 4 december 2014 heeft de Raad bevestigd bij uitspraak van 22 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2840.

1.2.

Bij besluit van 5 februari 2015 is de echtgenoot van appellante niet postuum toegelaten tot deelname aan de vrijwillige verzekering, omdat het verzoek daartoe niet binnen de termijn is ingediend. Bij uitspraak van de rechtbank van 18 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1441, is dat besluit in rechte komen vast te staan.

1.3.

Met haar nieuwe aanvraag van 26 december 2017 heeft appellante een verzoek gedaan om terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit van 30 oktober 2014.

1.4.

Bij besluit van 15 januari 2018 heeft de Svb het onder 1.2 vermelde verzoek afgewezen. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangedragen, terwijl evenmin is gebleken dat het besluit van 30 oktober 2014 onmiskenbaar onjuist is. De Svb heeft het bezwaar van appellante tegen dat besluit bij besluit van 30 maart 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is opgemerkt dat appellante ook voor de toekomst geen recht heeft op een nabestaandenuitkering, aangezien niet is gebleken dat haar overleden echtgenoot op de datum van zijn overleden verzekerd was voor de ANW.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van appellante geen nieuw feit of gewijzigde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb bevat en de Svb terecht heeft kunnen beslissen dat niet wordt terug gekomen van het besluit van 30 oktober 2014. Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellante in beroep niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de besluitvorming van de Svb onmiskenbaar onjuist of evident onredelijk is.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar echtgenoot in Nederland in loondienst werkzaam is geweest, dat aan hem een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet is toegekend en dat hij om die reden verzekerd was voor de ANW. Zij bevindt zich in een slechte financiële situatie en kan haar gezin niet onderhouden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De aanvraag van appellante van 26 december 2017 is een herhaling van de aanvraag waarop de Svb bij besluit van 30 oktober 2014 heeft beslist. De Svb heeft op de aanvraag van 26 december 2017 beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.2.

In geschil is of de Svb gehouden is terug te komen van het besluit van 30 oktober 2014 over het recht op nabestaandenuitkering. Dit geschil betreft een zogeheten duuraanspraak. Dit betekent dat ingevolge vaste rechtspraak bij de toetsing van het bestreden besluit een onderscheid gemaakt moet worden tussen het verleden en de toekomst (ECLI:NL:CRVB:2012:BW8262). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115). Wat betreft de periode na het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, moet een minder terughoudende toetsing worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen.

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

Periode voorafgaand aan de herhaalde aanvraag

4.4.

Met de Svb en de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Appellante heeft hetzelfde aangevoerd als in de eerder gevoerde procedure in verband met het besluit van 30 oktober 2014, te weten dat haar echtgenoot een ouderdomspensioen ontving en zij zich in een slechte financiële situatie bevindt en zij alsnog bereid is premie voor de vrijwillige verzekering te betalen. Geen aanleiding bestaat om te oordelen dat de afwijzing van de herhaalde aanvraag evident onredelijk is dan wel onmiskenbaar onjuist in de zin van het beleid van de Svb (SB1076).

Periode na het verzoek van de herhaalde aanvraag

4.5.

Wat betreft de periode na het verzoek om terug te komen van het besluit van 30 oktober 2014 dient te worden beoordeeld of met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar is dat de weigering een nabestaandenuitkering toe te kennen blijvend aan appellante wordt tegengeworpen. Uit de aangevallen uitspraak blijkt niet dat de rechtbank dit heeft onderkend.

4.6.

De Raad heeft bij bovengenoemde uitspraak van 22 juli 2016 reeds vastgesteld dat de echtgenoot van appellante op de datum van zijn overlijden niet verplicht of verzekerd was voor de ANW. Evenmin was hij verzekerd voor de Marokkaanse wettelijke regeling. De Raad oordeelde daarom dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering op grond van de ANW. Er is nu geen enkel aanknopingspunt voor een ander oordeel. De Svb heeft dan ook terecht geweigerd aan appellante voor de toekomst een nabestaandenuitkering toe te kennen.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2021.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) E.M. Welling

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale), statue:

Confirme la décision attaquée.

Par conséquent, décidée par C.H. Bangma en présence de E.M. Welling en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 12 08 2021.

Les parties disposent d’un délay de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas (Hoge Raad der Nederlanden, Postbus 20303, NL 2500 EH ‘s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de ménage commun.