Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
19/4405 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:4099, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek ‘Voorziening beroepsonderwijs bij bijzondere omstandigheden’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/4405 WSF

Datum uitspraak: 11 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 september 2019, 19/1448 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Özgül, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Özgül. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft voor destijds gevolgde beroepsopleidingen vanaf 1 april 2007 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen. Zij heeft deze opleidingen niet met een examen afgesloten. Op 26 mei 2014 is zij begonnen met de driejarige opleiding tot doktersassistent (niveau 3 of 4). Het afsluitend examen van deze opleiding heeft zij in april 2018 met goed gevolg afgelegd.

1.2.

Op 14 mei 2018 heeft appellante een verzoek ‘Voorziening beroepsonderwijs bij bijzondere omstandigheden’ ingediend. Zij heeft daarbij een verklaring van haar onderwijsinstelling meegezonden. Op 31 juli 2018 heeft zij desgevraagd een verklaring van haar huisarts ingezonden.

1.3.

Bij besluit van 31 december 2018 heeft de minister dit verzoek afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 5 maart 2019 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van appellante tegen het besluit van 31 december 2018 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat appellante geen informatie heeft overgelegd over de periode na december 2010 die bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van de Wsf 2000 aantonen. Dat zij vanaf 2011 zelf haar problemen heeft willen oplossen en in die periode om die reden geen therapie heeft gevolgd, dient voor haar rekening te komen. Nu in artikel 4.14, vijfde lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat bijzondere omstandigheden uitsluitend kunnen worden aangetoond door een gedagtekende verklaring van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar appellante is ingeschreven, volgt de rechtbank niet het standpunt van appellante dat zij tot medio 2014 niet in staat was een nieuwe opleiding te volgen. Anders dan appellante meent, heeft zij in de periode van januari 2011 tot april 2017 voldoende gelegenheid gehad een diploma te behalen. Dat zij de driejarige opleiding tot doktersassistente eerst in mei 2014 is gestart en daardoor niet tijdig haar diploma kon behalen, dient voor haar rekening en risico te komen. Over de periode januari 2011 tot medio 2014 heeft appellante geen begin van bewijs geleverd dat zij geen onderwijs kon volgen. Haar stelling dat zij nog steeds kampte met de psychische gevolgen van het overlijden van haar moeder en dat de zorg voor haar gezin haar zwaar viel, is daartoe onvoldoende. Er is geen sprake van een situatie waarbij de toepassing van de wet, gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, zodat appellante geen geslaagd beroep kan doen op de hardheidsclausule.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellante niet heeft aangetoond dat zij in de periode januari 2011 tot medio mei 2014 niet in staat was om een nieuwe opleiding te volgen en dat dat ook nadien nog aan de orde was. Daarbij heeft appellante bewijsstukken met betrekking tot haar medische situatie in 2013 en 2019 overgelegd.

3.2.

De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Daarbij heeft hij een rapport van 26 november 2019 overgelegd van zijn medisch adviseur, die vaststelt dat er over de periode februari 2011 tot en met maart 2013 en de periode na mei 2013 geen medische gegevens zijn overgelegd. De medisch adviseur heeft zijn rapport aangevuld op 18 november 2020.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Voor het toetsingskader geldt wat uiteengezet is in de uitspraak van de Raad van 28 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3781.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat in wat appellante naar voren heeft gebracht geen grond is gelegen voor vernietiging van het bestreden besluit. De gronden die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden door de Raad onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.3.

Appellante heeft in hoger beroep nadere informatie overgelegd. De medisch adviseur van de minister heeft (ook) deze informatie beoordeeld en geconcludeerd dat die geen aanleiding vormt om tot een andere beoordeling te komen van de situatie van appellante.

4.4.

In zijn rapport van 26 november 2019 komt de medisch adviseur van de minister tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor een aandoening van tijdelijke of structurele aard die het volgen van onderwijs in de periode 2011 tot mei 2014 onmogelijk heeft gemaakt. De gedocumenteerde periode behelst een korte periode in 2013, die zich niet laat extrapoleren naar de jaren ervoor. De beschrijving van de problemen in die periode maakt ook niet inzichtelijk dat appellante ten gevolge van die problemen niet heeft kunnen studeren. In zijn aanvullend rapport van 18 november 2020 komt de medisch adviseur tot de conclusie dat zonder kennis van het functioneren in de periode 2013 tot 2019 niet kan worden gesteld dat sprake is geweest van problemen met een chronisch karakter. Volgens de medisch adviseur kan er “terugkijkend in de tijd” ook geen gevoel ontstaan van “nu is alles duidelijk”, “nu kan alles uit het verleden worden verklaard.”

4.5.

De medisch adviseur heeft bij de totstandkoming van zijn advies alle door appellante overgelegde informatie betrokken. De rapporten zijn concludent en in wat appellante naar voren heeft gebracht is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rapporten niet zorgvuldig tot stand zouden zijn gekomen. Appellante heeft naar aanleiding van de rapporten geen (nieuwe) medische informatie ingebracht, zodat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies in de rapporten.

4.6.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor verlenging van de diplomatermijn. Dat appellante serieuze problemen heeft gehad, is zonder meer duidelijk, maar een direct verband tussen deze problemen en het (uiteindelijk) niet tijdig afronden van de studie is niet aannemelijk geworden. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met enige aanvulling van de gronden waarop deze rust.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2021.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) E.M. Welling