Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
19/2151 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:3629, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 70,83%. Toekenning loongerelateerde WHA-uitkering. Geschiktheid functie machinaal metaalbewerker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2151 WIA

Datum uitspraak: 18 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2019, 18/3977 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. E.C. Spiering hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 7 december 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was tot 12 juni 2015 werkzaam als slijper/ijzerwerker voor 44,35 uur per week.

Daarna ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 7 oktober 2015 heeft hij zich vanuit de WW ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten.

1.2.

In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar

arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft vastgesteld dat hij belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 november 2017. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 70,83%. De omvang en de resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 27 november 2017.

1.3.

Bij besluit van 20 december 2017 heeft het Uwv appellant met ingang van 4 oktober 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

1.4.1.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 juni 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 juni 2018 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 juni 2018 ten grondslag.

1.4.2.

Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn de specifieke knieklachten en andere klachten van het bewegingsapparaat van appellant niet geobjectiveerd, omdat daarvoor specifieke knie pathologie en eventuele andere pathologie ontbreekt. Anders dan de (primaire) arts heeft vastgesteld, is volgens deze verzekeringsarts een beperking voor zitten en de mogelijkheid tot vertreden dus niet aan de orde. In het verlengde daarvan ziet hij ook geen noodzaak voor het stellen van specifieke eisen aan afwisseling van houding. De verzekeringsarts heeft op 7 juni 2018 de FML gewijzigd vastgesteld. Daarbij zijn bij de items zitten en afwisseling van houding geen beperkingen meer opgenomen en zijn vertredingsmogelijkheden geschrapt.

1.4.3.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op basis van de FML van

7 juni 2018 vastgesteld dat nu appellant in mindere mate beperkt is, alle primair geselecteerde functies als passend gehandhaafd blijven.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2.

Het medisch onderzoek is niet onzorgvuldig geweest. De (primaire) arts heeft dossierstudie verricht, appellant onderzocht en een anamnese afgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de (primaire) arts heroverwogen en de bezwaren van appellant bij zijn beoordeling betrokken.

2.3.

Het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt is niet onjuist.

Niet gebleken is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld van de medische situatie van appellant heeft gehad. Deze verzekeringsarts heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom de knieproblemen niet leiden tot een beperking voor zitten en waarom hij de mogelijkheid tot vertreden niet meer in de FML heeft opgenomen. Daarmee is buiten twijfel gesteld dat het aanvankelijke oordeel van de arts van het Uwv te strikt was. Behalve het rapport van de arts R. Bakkenes van Camace heeft appellant in beroep geen medische informatie overgelegd die specifiek ziet op zijn knieklachten en de mogelijkheid tot vertreden.

2.4.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 25 juni 2018 gemotiveerd uiteengezet waarom de primair geselecteerde functies voor appellant passend zijn. Daarbij heeft hij voldoende toegelicht dat er bij de uitoefening van deze functies geen taken zijn waarin het solitair kunnen werken vereist is. Uit de beschrijving van de functie van machinaal metaalbewerker volgt dat het zelfstandig werken aan een weefgetouw iets anders is dan solitair werken. Dat in deze functie alleen en zelfstandig in een ruimte wordt gewerkt, betekent niet dat sprake is van een solitaire functie. Bij vragen of problemen is het namelijk steeds mogelijk om hulp in te roepen van de productieleider.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onzorgvuldig is om de eerder

vastgestelde beperking ‘moet kunnen vertreden’ te verruimen zonder dat er in bezwaar contact is geweest met appellant. Verder heeft hij naar voren gebracht dat uit de ‘Handleiding CBBS’ blijkt dat sprake is van een solitaire functie als in de directe nabijheid geen collega-werknemers zijn. Dat betekent dat de geselecteerde functie van machinaal bewerker voor hem niet geschikt is.

3.2.

Het Uwv heeft een bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Daarvoor heeft het

Uwv verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 juni 2018 en 29 juni 2020 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 juni 2018.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het relevante wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

In geschil is de vraag of de rechtbank juist heeft geoordeeld dat het Uwv de mate van

arbeidsongeschiktheid van appellant terecht met ingang van 4 oktober 2017 heeft vastgesteld op 70,83%.

4.3.

Voor zover appellant heeft betoogd dat hij wel dan wel meer beperkt is op de items zitten en afwisseling van houding dan in de FML’s van 7 juni 2018 en 17 november 2017 is vastgesteld, slaagt dit betoog niet. Daartoe wordt verwezen naar de rapporten van de (verzekerings)artsen van 17 november 2017, 4 juni 2018 en 29 juni 2020 waarin met inachtneming van de informatie van de behandeld artsen en het in beroep ingestuurde rapport van de arts Bakkenes voldoende onderbouwd is gemotiveerd dat appellant niet meer beperkt is dan in deze FML’s is vastgesteld.

4.4.

Uit de arbeidskundige rapporten volgt dat ook indien wordt uitgegaan van de zwaardere door de (primaire) arts vastgestelde beperkingen de voor hem geselecteerde functies passend zijn. In het rapport van 27 november 2017 heeft de arbeidsdeskundige voldoende onderbouwd dat de belasting in de geselecteerde functies valt binnen de vastgestelde belastbaarheid in de FML van zowel 17 november 2017 (de FML met de zwaarste beperkingen) als 7 juni 2018. Bezien in dit licht behoeft de beroepsgrond die ziet op het in bezwaar aannemen van minder beperkingen geen bespreking.

4.5.

De grond die ziet op het niet geschikt zijn van de functie van machinaal metaalbewerker vanwege het solitaire karakter daarvan treft geen doel. Het oordeel van de rechtbank – zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.4 van deze uitspraak – is juist. Uit de toelichting bij ‘Beoordelingspunt 2.12.3. Werk waarin is vermeld zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s’ blijkt dat het CBBS-systeem bij de voorselectie gezien de beperking op item 2.12.3. alleen functies presenteert waarin niet solitair gewerkt hoeft te worden. Bij de werkzaamheden van de machinaal metaalbewerker – al dan niet in dezelfde ruimte – zijn altijd collega’s of leidinggevenden in de buurt, waarop hij kan terugvallen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2021.

(getekend) J. Brand

(getekend) D.S. Barthel