Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
19/2330 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens appellant is het ontslag onredelijk omdat hij te snel heeft moeten re-integreren, wat tot schade aan zijn gezondheid heeft geleid. Volgens appellant mocht het bestuur daarom geen gebruik maken van zijn ontslagbevoegdheid.Naar het oordeel van de Raad zijn er op basis van de twee deskundigenoordelen onvoldoende aanwijzingen dat de re-integratie-activiteiten van het bestuur (verwijtbaar) tot relevante gezondheidsschade hebben geleid. Dat hierin is geconcludeerd dat de aangeboden werkzaamheden (achteraf) niet passend zijn gebleken en dat de re-integratieplannen moesten worden bijgesteld, is onvoldoende om het standpunt van appellant te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2021/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2330 AW

Datum uitspraak: 12 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 april 2019, 17/4044 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de rechtbank Den Haag (bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Partijen hebben hun standpunten nader schriftelijk uiteengezet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2021. Appellant is niet verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Deerenberg-Schurer en A.W. van den Bosch.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 juli 2008 werkzaam bij de rechtbank Den Haag, laatstelijk in de functie van [functie] .

1.2.

Op 31 juli 2014 heeft hij zich ziekgemeld wegens vermoeidheidsklachten, duizeligheid en spanningsklachten. Daarna is een re-integratietraject ingezet.

1.3.

Het bestuur heeft appellant bij brief van 16 augustus 2016 meegedeeld dat het een besluit over een mogelijk ontslag wegens ziekte uitstelt met maximaal zes maanden, omdat de mogelijkheid van herstel op korte termijn onduidelijk is. Verder heeft het bestuur bij deze brief meegedeeld dat de re-integratie van appellant wordt voortgezet in overeenstemming met adviezen van de bedrijfsarts en dat met appellant is afgesproken dat hij vanaf 1 augustus 2016 voor 20 uur per week werkzaamheden zal verrichten. Aan het einde van de zes maanden of zoveel eerder als de medische situatie van appellant duidelijk is geworden, zal een besluit worden genomen over een eventueel ziekteontslag.

1.4.

Bij besluit van 8 september 2016 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan appellant per 2 augustus 2016 een loongerelateerde uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op basis van volledige arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar daartegen heeft het Uwv bij besluit van 9 november 2016 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 november 2017 (16/8137) heeft de rechtbank Rotterdam het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Raad bij uitspraak van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:148, bevestigd.

1.5.

Bij brief van 13 december 2016 heeft het bestuur aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem te ontslaan wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Bij besluit van 24 januari 2017 heeft het bestuur appellant, in overeenstemming met het voornemen van 13 december 2016, ontslag verleend met ingang van 1 februari 2017. Daarbij is verwezen naar artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, gelezen in samenhang met artikel 98, derde lid en zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Het bezwaar daartegen heeft het bestuur bij besluit van 27 juli 2017 (bestreden besluit), na advies van de bezwaaradviescommissie, ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat sprake is geweest van ziekte gedurende een onafgebroken periode van twee jaar, dat van herstel binnen zes maanden na de twee jaar ziekte niet is gebleken en dat duurzame re-integratie in passende arbeid binnen een redelijke termijn niet te verwachten valt. Daarmee is volgens het bestuur voldaan aan de ontslagvoorwaarden van artikel 98, derde lid, van het ARAR.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat bij de rechtbank geen sprake is geweest van een eerlijk proces vanwege de onzorgvuldige afhandeling van een verzoek om aanhouding in verband met de toen nog lopende WIA-procedure. Verder is het na de zitting opnieuw gedane verzoek om aanhouding te beperkt opgevat en ten onrechte niet ingewilligd. De rechtbank is teruggekomen van de eerdere beslissing tot aanhouding, wat volgens appellant een schending van beginselen van behoorlijke procesorde oplevert. Appellant wordt hierin niet gevolgd.

Of een zaak al dan niet wordt aangehouden in verband met een andere lopende zaak die over een verwante kwestie gaat, is aan de rechterlijke instantie die de zaak behandelt.

Aanvankelijk had de rechtbank besloten om de zaak op verzoek van appellant aan te houden tot eind 2018 in afwachting van de WIA-zaak, maar dit is niet aan hem meegedeeld. Op 8 november 2018 is appellant geïnformeerd over het voornemen om de zaak in het eerste kwartaal van 2019 te behandelen. De president van de rechtbank heeft, na een klacht van appellant, erkend dat de afhandeling van het verzoek om aanhouding niet vlekkeloos is verlopen en dat de communicatie beter had gemoeten. De Raad ziet hierin geen reden voor nader onderzoek of voor vernietiging van de aangevallen uitspraak. Als er al sprake is van een procedurele fout, dan ziet de Raad niet in welke zin appellant daardoor is benadeeld. Daarbij komt dat inmiddels, zoals vermeld onder 1.4, in hoger beroep een einduitspraak is gedaan in de WIA-zaak, waarmee bij de beoordeling van de onderhavige zaak rekening kan worden gehouden.

4.2.

Appellant heeft betoogd dat de voorzitter van de bezwaaradviescommissie in de periode 2008 tot 2015 rechter-plaatsvervanger was bij de rechtbank Den Haag, waarmee de schijn van partijdigheid is gewekt. Dit betoog slaagt niet, omdat de bezwaarprocedure in 2017 heeft plaatsgevonden, ruim twee jaar nadat het rechter-plaatsvervangerschap is geëindigd. Ook voor het overige ziet de Raad geen omstandigheden die de conclusie van schijn van partijdigheid rechtvaardigen.

4.3.

Appellant heeft gesteld dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Hij heeft aangevoerd dat met een brief van 13 januari 2017 is teruggekomen van het ontslagvoornemen. In deze brief is appellant het voornemen meegedeeld dat hij per 1 maart 2017 zal worden geplaatst in [team] . Appellant wordt in deze stelling niet gevolgd. De brief van 13 januari 2017 is een brief die is verzonden in het kader van de herverdeling van het team waarin appellant was geplaatst. Net als alle andere medewerkers van zijn team heeft ook appellant die brief ontvangen; hij was toen nog in dienst en onderdeel van het team. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief moet worden gelezen in de context van de herverdeling van het team over andere teams. Dat de brief ook aan appellant is gestuurd is weliswaar ongelukkig, maar hij mocht hieruit redelijkerwijs niet afleiden dat afgezien zou worden van het ontslagvoornemen. Appellant had op zijn minst om uitleg kunnen vragen.

4.4.

Verder is door appellant betoogd dat geen sprake is van een onafgebroken periode van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar. Daarmee is volgens hem niet voldaan aan artikel 98, derde, lid, onder a, van het ARAR. Hij wijst erop dat hij in de periode van 16 maart 2016 tot en met 16 april 2016 volledig is ingezet. Op 24 maart 2015 heeft hij een volledige zitting gedaan, terwijl de voorbereiding van zo’n zitting twee weken daarvoor aanvangt. Het betoog van appellant slaagt niet. Op 13 april 2015 heeft het bestuur appellant hersteld gemeld (per 11 april 2015). Op 16 april 2015 heeft appellant zich weer ziekgemeld. De verzekeringsarts heeft in het deskundigenoordeel van 14 april 2015 gerapporteerd dat appellant kort ervoor hersteld is verklaard, maar dat gebleken is dat hij erg geforceerd naar een hersteldatum is begeleid. Appellant kon volgens de verzekeringsarts wel een volledig aantal uren werken, maar dan drie uur per dag op het werk en de rest thuis aan de hand van een opbouwschema. Ook gezien het rapport van de arbeidsdeskundige van 15 april 2015 kan worden vastgesteld dat appellant in de periode 16 maart 2015 tot 10 april 2015 niet volledig geschikt was voor zijn functie van senior juridisch medewerker. In het kader van de latere WIA-beoordeling is ook uitgegaan van een periode van 104 weken ongeschiktheid vanaf 31 juli 2014. De WIA-uitkering is toegekend per 2 augustus 2016.

4.5.

Volgens appellant is het ontslag onredelijk omdat hij te snel heeft moeten re-integreren, wat tot schade aan zijn gezondheid heeft geleid. Volgens appellant mocht het bestuur daarom geen gebruik maken van zijn ontslagbevoegdheid. Naar het oordeel van de Raad zijn er op basis van de twee deskundigenoordelen onvoldoende aanwijzingen dat de re-integratie-activiteiten van het bestuur (verwijtbaar) tot relevante gezondheidsschade hebben geleid. Dat hierin is geconcludeerd dat de aangeboden werkzaamheden (achteraf) niet passend zijn gebleken en dat de re-integratieplannen moesten worden bijgesteld, is onvoldoende om het standpunt van appellant te volgen.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en M.A.H. van Dalen-van Bekkum en A. van Gijzen als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2021.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) B.H.B. Verheul