Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2048

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
19/4409 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:7282, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Terecht ZW-uitkering beëindigd. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Hierin heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat hij de onjuiste maatstaf arbeid heeft gehanteer. Het Uwv is ten onrechte uitgegaan van het laatstelijk verrichte werk van schoonmaker in plaats van de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies. Zorgvuldig medisch onderzoek. Inzichtelijk gemotiveerd dat appellant in medisch opzicht geschikt is voor de functie van inpakker. 2) Terecht WIA-uitkering geweigerd omdat appellant de wachttijd van 104 weken niet heeft volbracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4409 ZW, 20/1698 ZW

Datum uitspraak: 13 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 september 2019, 19/619 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M. Voogt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft op 17 april 2020 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft hierop gereageerd. Het Uwv heeft hierop gereageerd onder overlegging van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Voogt. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaker voor gemiddeld 36,67 uur per week. Per 1 juni 2014 is aan appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Op 17 februari 2015 heeft appellant zich ziek gemeld wegens schouderklachten rechts. Het Uwv heeft appellant per deze datum in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 17 maart 2016 beëindigd op de grond dat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid als schoonmaker, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Appellant heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
1.3. De WW-uitkering van appellant is per 17 maart 2016 voortgezet. Op 8 augustus 2016 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontving, ziek gemeld met schouderklachten rechts. Nadat de WW-uitkering van appellant gedurende 13 weken is doorbetaald, heeft het Uwv appellant per 7 november 2016 een ZW-uitkering toegekend.

1.4.

Appellant heeft op 19 april 2018 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellant per 7 mei 2018 neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 mei 2018. Op basis van deze FML is appellant niet meer geschikt geacht voor zijn laatstelijk verrichte werk als schoonmaker. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant vier functies geselecteerd, op basis waarvan de mate van arbeidsgeschiktheid is vastgesteld op 85,44%. Bij besluit van 11 juni 2018 (besluit 1) is de ZW-uitkering van appellant per 12 juli 2018 beëindigd op de grond dat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Bij afzonderlijk besluit van 11 juni 2018 (besluit 2) heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van
6 augustus 2018 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen. Appellant heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

1.5.

Het bezwaar van appellant tegen beide besluiten van 11 juni 2018 heeft het Uwv bij besluit van 24 januari 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 januari 2019 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 januari 2019 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belastbaarheid van appellant neergelegd in een FML van
15 januari 2019. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belastbaarheid van appellant naar beneden bijgesteld op de punten 4.7 (schroefbewegingen) en 4.9 (frequent reiken). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met inachtneming van de FML van 15 januari 2019 een drietal functies voor appellant geselecteerd, op basis waarvan de mate van arbeidsgeschiktheid is vastgesteld op 73,74%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat aan bestreden besluit 1 een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zoals weergegeven in de FML van 15 januari 2019. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gronden aangevoerd tegen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3.2.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Hierin heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat hij de onjuiste maatstaf arbeid heeft gehanteerd bij de primaire besluiten 1 en 2 van 11 juni 2018. Het Uwv is ten onrechte uitgegaan van het laatstelijk verrichte werk van schoonmaker in plaats van de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies. Het Uwv zal daarom alsnog gaan beoordelen of appellant geschikt is voor de juiste maatstaf arbeid, zijnde (ten minste) één van de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies.

3.3.

Bij brief van 17 april 2020 heeft het Uwv de motivering van het bestreden besluit onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
14 april 2020 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 april 2020 gewijzigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant geschikt geacht voor de maatstaf arbeid, te weten: twee van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies, namelijk de functies van inpakster koekjes (SBC-code 111190) en algemeen productiemedewerker (SBC-code 111174). Het Uwv heeft zich alsnog op het standpunt gesteld dat de ZW-uitkering per
12 juli 2018 terecht is beëindigd maar dan op de grond dat appellant geschikt is voor “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geoordeeld dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de medische situatie van appellant op 6 augustus 2018, dan wel binnen vier weken na 12 juli 2018, is gewijzigd. Dit betekent dat het Uwv zijn standpunt handhaaft dat appellant per 6 augustus 2018 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering op de grond dat hij de wachttijd van 104 weken niet heeft vervuld. Het Uwv handhaaft daarom de ongegrondverklaring van de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 11 juni 2018.

3.4.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat in de FML van 15 januari 2019 ten onrechte geen beperking is aangenomen voor anteflexie (voorwaartse beweging) en abductie (zijwaartse beweging) van de rechterarm. Appellant is namelijk beperkt voor bewegingen vanaf 70 graden. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep de belastbaarheid voor schroefbewegingen, punt 4.7 in de FML, heeft aangescherpt. Appellant was hiervoor beperkt met rechts en is nu alleen maar beperkt ingeval van veel kracht. Dit is volgens appellant in strijd met de rechtszekerheid. Over de medische geschiktheid van de deelfuncties inpakster koekjes (SBC-code 111190) en algemeen productiemedewerker (SBC-code 111174) heeft appellant aangevoerd dat sprake is van een overschrijding wat betreft het reiken. Appellant kan volgens de FML van 15 januari 2019 tot 450 keer per uur reiken; in de twee functies betreft het reiken 600 keer per uur onderscheidenlijk 560 keer per uur. Vanwege de schouderklachten van appellant kan de hogere frequentie niet gecompenseerd worden door een kortere reikafstand, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd. Appellant heeft in dit verband verwezen naar een passage in de Basisinformatie CBBS van 2009. Hierin staat onder meer dat bij het interpreteren van signaleringen ook van belang kan zijn waarom een cliënt een beperking op reiken heeft. Daarbij is als voorbeeld genoemd dat bij een cliënt met schouderklachten zonder bewegingsbeperking de component frequentie een aanzienlijk grotere belasting zal vormen dan de reikafstand. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij vanwege zijn kleine postuur niet in staat is om 70 cm te reiken, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld. Volgens appellant kan hij maximaal 63 cm reiken. In de functie productiemedewerker is volgens appellant naast het reiken ook sprake van een overschrijding wat betreft schroefbewegingen maken en mogelijk ook wat betreft anteflexie en abductie van de rechterarm. Tegen de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 heeft appellant aangevoerd dat hij niet voldoet aan de gestelde opleidingseis voor de functies van productiemedewerker en inpakster koekjes. Ook voldoet appellant niet aan de voor de functies vereiste beheersing van de Nederlandse taal. Tot slot heeft appellant verzocht om een hogere proceskostenveroordeling dan gebruikelijk omdat de nieuwe medische en arbeidskundige rapporten moesten worden beoordeeld en appellant deels nieuwe gronden heeft ingediend.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 14 april 2020 de beperkingen van appellant benoemd en vervolgens heeft deze arts beoordeeld of appellant met inachtneming van deze beperkingen geschikt is voor één van de bij de EZWb geselecteerde functies. Het Uwv heeft terecht naar voren gebracht dat de verzekeringsarts bij een ZWbeoordeling als de onderhavige niet verplicht is om de beperkingen vast te leggen in een FML om tot een zorgvuldige beoordeling te kunnen komen.

4.3.

Geoordeeld wordt dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. Ook is er geen aanleiding om de uitkomst van het medisch onderzoek voor onjuist te houden. Uit het rapport van 14 april 2020 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de voorhanden medische informatie kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat sprake is van schouderproblematiek rechts na een operatie die is uitgevoerd in oktober 2016. Gelet op de schouderproblematiek rechts gelden er beperkingen voor appellant ten aanzien van schouder belastende activiteiten, waaronder frequent reiken en schroefbewegingen waarbij veel kracht gezet moet worden. Er is geen grond voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van de medische toestand van appellant. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van

14 april 2020 inzichtelijk gemotiveerd dat appellant met deze beperkingen in medisch opzicht geschikt is voor de functie van inpakker (handmatig) (SBC-code 111190). Appellant heeft aangevoerd dat in deze functie sprake is van een overschrijding van zijn belastbaarheid wat betreft frequent reiken. Uit het Resultaat functiebeoordeling blijkt dat in deze functie tijdens 8 werkuren 300 maal ongeveer 60 cm achtereen en 300 maal ongeveer 40 cm achtereen met beide handen gelijktijdig gereikt moet worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat appellant 600 maal per uur moet reiken met beide handen over een reikafstand die minder ver is dan wat appellant kan, namelijk 70 cm. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat, gelet op de geringere reikafstand, de belasting wat betreft het reiken binnen de belastbaarheid van appellant blijft. In hetgeen door appellant is aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien om aan de juistheid van deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.3 volgt dat het Uwv appellant terecht in medisch opzicht geschikt heeft geacht voor de functie van inpakker (handmatig) (SBC-code 111190). Gelet hierop kunnen de beroepsgronden van appellant die zien op de medische geschiktheid van de functie algemeen productiemedewerker (SBC-code 111174) onbesproken blijven.

4.5.

Aan een beoordeling van de arbeidskundige gronden van appellant tegen de functies van inpakker en algemeen productiemedewerker wordt niet toegekomen. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:965) gaat het in de onderhavige procedure slechts om de vraag of appellant op medische gronden geschikt is voor één van de eerder geselecteerde functies. De passendheid van de functies is al bij de EZWb getoetst en staat in deze procedure niet ter beoordeling. Er is geen aanleiding om van deze rechtspraak terug te komen, zoals appellant heeft verzocht.

4.6.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de functie van inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) in medisch opzicht passend is voor appellant. Dit betekent dat het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 12 juli 2018 heeft beëindigd op de grond dat appellant geschikt is voor “zijn arbeid” in de zin van de ZW.

4.7.

De Raad komt tot de volgende beoordeling van het hoger beroep ten aanzien van de weigering van de WIA-uitkering per 6 augustus 2018.

4.8.

Ingevolge artikel 23 van de Wet WIA kan pas aanspraak op deze uitkering worden gemaakt nadat de wachttijd van 104 weken is verstreken. Appellant is op 8 augustus 2016 ziekgemeld. Uit 4.6 volgt dat de beëindiging van de ZW-uitkering van appellant met ingang van 12 juli 2018 standhoudt. In het rapport van 14 april 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat de medische situatie van appellant op 6 augustus 2018, dan wel binnen vier weken na 12 juli 2018, niet is gewijzigd, zodat appellant ook toen geschikt is te achten tot het verrichten van zijn arbeid. Appellant heeft geen (medische) stukken overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan dit standpunt. Gelet hierop heeft het Uwv terecht appellant een WIA-uitkering geweigerd per 6 augustus 2018 op de grond dat hij de wachttijd van 104 weken niet heeft volbracht.

4.9.

Uit 4.2 en 4.8 volgt dat pas in hoger beroep een deugdelijke motivering aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit gebrek zal worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met dezelfde inhoud zijn genomen.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

6. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten in beroep worden begroot op € 1.496,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting). De kosten in hoger beroep worden begroot op € 1.870,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het geven van een reactie op de gewijzigde motivering en 1 punt voor het bijwonen van de zitting).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.366,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 175,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander als voorzitter, in tegenwoordigheid

van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

13 augustus 2021.

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) A.M.M. Chevalier