Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2039

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
19/2805 AAW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:4906, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Laattijdige aanvraag voor uitkering voor jonggehandicapten terecht afgewezen. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel en daaraan ten grondslag liggende overwegingen dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2805 AAW

Datum uitspraak: 13 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
21 juni 2019, 18/2630 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 14 juli 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Tilburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

J. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedag] 1969, heeft met een door het Uwv op 12 april 2017 ontvangen formulier een laattijdige aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van
5 september 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante op 12 april 2016 (een jaar voor datum aanvraag) minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

1.2.

Bij besluit van 12 april 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 september 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

Bij tussenuitspraak van 11 april 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het Uwv heeft nagelaten te beoordelen of appellante ten tijde van haar 17e/18e verjaardag aan de vereisten voor het recht op toekenning van een uitkering voldeed. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen.

2.2.

Bij brief van 8 april 2019 heeft het Uwv aangegeven geen gebruik te zullen maken van de geboden herstelmogelijkheid. Hiertoe heeft het Uwv aangevoerd dat uit vaste rechtspraak volgt dat het Uwv bij laattijdige aanvragen, bijhoudens de situatie dat sprake is van een bijzonder geval, in eerste instantie als de te beoordelen datum de vroegstmogelijke datum waarop de Wajong-uitkering zou kunnen ingaan (een jaar voor de datum van de aanvraag) kan aanhouden. Niet gebleken is dat er feiten en omstandigheden zijn waardoor het Uwv een beoordeling moet doen die verder terug gaat in de tijd.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Naar het oordeel van de rechtbank berust de tussenuitspraak op een evident onjuiste juridische grondslag. Artikel 25, eerste lid, van de AAW is hier niet van toepassing, nu dit artikellid na inwerkingtreding van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet Inga) niet meer geldt.
Artikel 3:29 Wajong is op appellante van toepassing. Bij laattijdige aanvragen mag het Uwv eerst de datum van een jaar voor aanvraag beoordelen. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat het medisch onderzoek op onzorgvuldige wijze plaatsgevonden. Ook ziet zij geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Volgens de rechtbank is gesteld noch gebleken dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en herhaald dat zij meer beperkt is dan is aangenomen. Ter onderbouwing heeft appellante in hoger beroep informatie van CaleidoZorg van 22 februari 2019 ingebracht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat de relevante bepalingen van de AAW van toepassing zijn bij de beantwoording van de vraag of appellante als jongehandicapte is aan te merken en dat het Uwv daarvoor naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 juni 2012; ECLI:NL:CRVB:2012:BX1581) allereerst de datum, gelegen een jaar voor de datum van de aanvraag, mag beoordelen.

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel en daaraan ten grondslag liggende overwegingen dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. De in hoger beroep door appellante overgelegde informatie van CaleidoZorg, waaruit blijkt dat bij appellante in december 2018 de diagnose PTSS is gesteld vanwege een traumatische ervaring in haar jeugd, geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat appellante van deze klachten bij haar aanvraag in april 2017 en de daaropvolgende medische onderzoeken geen melding heeft gemaakt. Bij het medisch onderzoek van 3 juli 2017 zijn bij appellante, behoudens lijdensdruk door de fysieke klachten, geen ernstige beperkingen op psychisch vlak vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend beargumenteerd dat de PTSS-klachten, waarvoor appellante sinds december 2018 wordt behandeld, geruime tijd na een traumatische gebeurtenis kunnen ontstaan, zodat de in 2018 gestelde diagnose niets zegt over de impact op het mentale functioneren van appellante op 12 april 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heet geen aanleiding gezien appellante verdergaand beperkt te achten dan in de rubrieken 1 en 2 van de Functionele Mogelijkhedenlijst van
3 juli 2017 reeds is aangenomen. Er is geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit standpunt niet te volgen.

4.3.

De overwegingen in 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) M. Géron