Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2028

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
19/5069 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Afwijzing van een aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht.

In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Daarvan is niet gebleken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij eerder dan 26 april 2018 een aanvraag om bijstand heeft ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5069 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 oktober 2019, 18/3291 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Participatiebedrijf KempenPlus, rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Kempengemeenten (bestuur)

Datum uitspraak: 3 augustus 2021

Zitting heeft: A.M. Overbeeke

Griffier: Y.S.S. Fatni

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2021. Namens appellant is

mr. M.C.A.M. van der Meer, advocaat, verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door H.F. van Rooij.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1.1.

Appellant heeft na een periode waarin hij een Ziektewetuitkering ontving, op 13 maart 2015 een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering met als gewenste ingangsdatum 30 juni 2015. Bij besluit van 26 augustus 2015 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard vanwege niet verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant heeft zich vervolgens tot het bestuur gewend voor het aanvragen van bijstand. Op 5 november 2015 heeft een intakegesprek plaatsgevonden. In het rapport van dit intakegesprek van 17 november 2015 staat vermeld dat er geen aanvraag om bijstand voor levensonderhoud tot stand is gekomen.

1.2.

Appellant heeft zich op 14 mei 2016 bij het Uwv gemeld met toegenomen psychische klachten. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 14 juli 2016 aan appellant met ingang van 2 mei 2016 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Een procedure om het besluit van 14 juli 2016 te herzien, omdat appellant meent dat hij al per
30 juni 2015 volledig arbeidsongeschikt was, heeft niet geleid tot een voor appellant gunstig resultaat.

1.3.

Appellant heeft zich op 26 april 2018 opnieuw gemeld bij het bestuur en op 9 mei 2018 een aanvraag om bijstand ingediend over de periode van 30 juni 2015 tot en met 1 mei 2016. Bij besluit van 12 juni 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 november 2018 (bestreden besluit), heeft het bestuur de aanvraag afgewezen omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht bijstand over de periode van 30 juni 2015 tot en met 1 mei 2016 toe te kennen, is niet gebleken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij eerder dan 26 april 2018 een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Zowel uit de rapportage van 9 mei 2018, opgemaakt naar aanleiding van de aanvraag van 26 april 2018, als uit de rapportage van het intakegesprek van 5 november 2015, blijkt uitdrukkelijk dat er in november 2015 geen aanvraag om bijstand tot stand is gekomen. Appellant heeft het tegendeel niet onderbouwd kunnen aantonen. Volgens de rechtbank is appellant niet afgehouden van het doen van een aanvraag.
De keuze om eerst een bezwaarprocedure te starten tegen de afwijzing van de arbeidsongeschiktheidsuitkering komt voor rekening en risico van appellant. In de rapportage van 9 mei 2018, waarin is verwezen naar de rapportage van 17 november 2015, is onder meer opgenomen dat het bestuur appellant erop heeft gewezen dat hij recht zou kunnen hebben op een voorliggende voorziening. Maar uit deze rapportage blijkt niet dat het bestuur appellant van het doen van een aanvraag heeft afgehouden. Daarbij is betrokken dat appellant ruim twee jaar heeft gewacht, tot april 2018, om zich opnieuw te melden voor een bijstandsuitkering over de periode 2015/2016.

3.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig zou zijn. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog het volgende toe.

3.2.

Appellant heeft in hoger beroep nog een verklaring overgelegd van X, zijn begeleider. Hij heeft verklaard dat in oktober 2015 telefonisch een aanvraag is gedaan. Ook hiermee is niet aannemelijk gemaakt dat een aanvraag is ingediend. Uit artikel 43, eerste lid, van de Participatiewet (PW) in verbinding met artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht volgt immers dat een aanvraag om bijstand schriftelijk moet worden gedaan. Uit artikel 44 van de PW volgt voorts dat de melding en de aanvraag twee te onderscheiden juridische begrippen zijn. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 5 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8071).

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) Y.S.S. Fatni (getekend) A.M. Overbeeke