Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:2013

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
20/2316 WAJONG-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De weigering van Wajong-uitkering berust op een ontoereikende grondslag. Het Uwv heeft niet beoordeeld of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2316 WAJONG-T

Datum uitspraak: 10 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
15 mei 2020, 19/1059 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Duurtsema, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om vergoeding van schade.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Duurtsema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedatum] 1996, heeft met een door het Uwv op 30 april 2018 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante ernstige hoofdpijn en migraine heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 14 augustus 2018 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is.

1.2.

Bij besluit van 1 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 14 augustus 2018 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellante wel arbeidsvermogen heeft. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat er geen aanleiding is te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft ingeschat. De rechtbank twijfelt niet aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante aaneengesloten kan werken gedurende tenminste een periode van een uur en dat zij tenminste vier uur per dag belastbaar is.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar ziekteverzuim vanwege de aanvallen van migraine excessief zal zijn. Appellante acht zich niet in staat een uur per dag aaneengesloten en vier uur per dag te werken. Evenmin is zij in staat een taak uit te voeren en zij beschikt niet over basale werknemersvaardigheden. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij naast aanvallen van migraine iedere dag ernstige hoofdpijn heeft. Voor de dagelijkse hoofdpijn geeft medicatie nauwelijks verlichting. Zij kan nauwelijks activiteiten ondernemen en wanneer zij dat wel doet, leidt dit al gauw tot verergering van de hoofdpijnklachten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

4.1.2.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of appellante arbeidsvermogen had op [geboortedatum] 2014, de dag dat zij achttien jaar is geworden.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij geen arbeidsvermogen heeft omdat sprake zal zijn van een excessief ziekteverzuim. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich voor het te verwachten ziekteverzuim gebaseerd op informatie van de behandelend neuroloog van appellante. Deze heeft in een brief van 27 mei 2019 laten weten dat appellante gemiddeld één keer per maand een aanval van ernstige hoofdpijn heeft die vier tot vijf dagen duurt en dan geleidelijk afneemt, dus ongeveer een week.

4.4.

Met verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 mei 2021 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat bij appellante geen sprake zal zijn van excessief ziekteverzuim en daarbij aangesloten bij de in het kader van de overige arbeidsongeschiktheidswetten ontwikkelde rechtspraak over artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Dat houdt in dat bij een verzuimrisico (op werkdagen) van ten minste 30% geen arbeidsvermogen wordt aangenomen. Uitgaande van verzuim van een week per maand wegens een migraineaanval leidt dit tot een ziekteverzuim dat net onder de 30% blijft. De Raad is echter van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat daarmee het verzuimrisico bij appellante wordt onderschat. Volgens de behandelend neuroloog heeft appellante dagelijks last van vrij ernstige hoofdpijn. Meestal 7-8 op een visueel analoge schaal (VAS) van 0 (geen pijn) tot 10 (ergst denkbare pijn). Dat deze hoofdpijn bijvoorbeeld bij inspanningen kan leiden tot een migraineaanval, zoals appellante heeft verklaard te ondervinden, acht de Raad aannemelijk. Wanneer rekening wordt gehouden met (gemiddeld) één dag extra verzuim per maand vanwege een migraineaanval of een andere ziekteoorzaak, leidt dit tot een ziekteverzuim van boven de 30%. Daar komt bij dat de momenten waarop appellante vanwege hoofdpijnklachten niet kan werken, onvoorspelbaar zijn, wat de eventuele vervanging van appellante bij het verrichten van de geselecteerde taken bemoeilijkt. Dat betekent dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden zodanig excessief zal verzuimen vanwege haar hoofdpijnklachten dat de mogelijkheden tot het verrichten van een arbeidsprestatie met een economische waarde marginaal zijn. De Raad concludeert dat appellante in verband hiermee op [geboortedatum] 2014 geen arbeidsvermogen had. De overige beroepsgronden van appellante behoeven geen bespreking meer.

4.5.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de weigering van Wajong-uitkering op een ontoereikende grondslag berust. Het Uwv heeft niet beoordeeld of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

5. Omdat met deze uitspraak nog geen einde aan het geding is gekomen, wordt nog geen oordeel gegeven over de proceskostenvergoeding en het verzoek om vergoeding van wettelijke rente.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 1 maart 2019 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel als voorzitter en E.W. Akkerman en F.M. Rijnbeek als leden, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2021.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) V.M. Candelaria

.