Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
20/2636 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing - vijfde - verzoek om herziening. Geen sprake van feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De Raad spreekt, in dit geding ten overvloede, als zijn oordeel uit dat het doen van een vijfde verzoek om herziening in een geval als het onderhavige, grenst aan kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. De Raad adviseert verzoeker om zich neer te leggen bij de uitspraak van 4 april 2013 en een zesde verzoek achterwege te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/510
NJB 2021/2316
USZ 2021/360
JB 2021/173
TAR 2021/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2636 AW, 20/2637 AW

Datum uitspraak: 5 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 april 2013, 11/2789 AW, 11/2790 AW, 11/2791 AW, 11/2792 AW

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van bestuur van de Universiteit Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft gevraagd om herziening van de hiervoor vermelde uitspraak van 4 april 2013.1


Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft diverse aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2021. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W. Oudenaarden en
mr. R. van Mansfeld, beiden advocaat, en mr. W.E. Grimmelikhuijsen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker was sinds 1987 in dienst van de [Universiteit] , waar hij laatstelijk werkzaam was in de functie van [functie] bij het onderzoeksprogramma [onderzoeksprogramma 1] ( [onderzoeksprogramma 1] ), onderdeel van het [onderdeel 1] . Bij besluit van 8 juli 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 december 2008, heeft het college de functie van verzoeker per 1 juli 2008 opgeheven. Bij besluit van 15 februari 2010 heeft het college verzoeker met ingang van 20 mei 2010 ontslag verleend op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten. Bij beslissing op bezwaar van 23 juni 2010 is het ontslag gehandhaafd, zij het dat de ontslagdatum nader is bepaald op 1 juli 2010.

1.2.

Bij uitspraak van 31 maart 20112 heeft de rechtbank Utrecht, voor zover hier van belang, de beroepen tegen de besluiten van 18 december 2008 en 23 juni 2010 ongegrond verklaard. Bij de uitspraak van 4 april 2013 waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van 31 maart 2011 bevestigd. Uitgaande van het reorganisatiebesluit en de opheffing van het onderzoeksprogramma [onderzoeksprogramma 1] waaraan verzoeker verbonden was, heeft de Raad vastgesteld dat het onderzoeksgebied van verzoeker is komen te vervallen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat verzoeker geen deel uitmaakte van het onderdeel van [onderzoeksprogramma 1] dat zich bezighield met de ontwikkeling van halfgeleiders ten behoeve van zonnecellen, welk onderdeel het college wenste te handhaven en wenste in te bedden in het nieuwe onderzoeksprogramma [onderzoeksprogramma 2]. De Raad is tot de conclusie gekomen dat het samenstel van werkzaamheden dat aan verzoeker was opgedragen, is komen te vervallen. De Raad heeft verder geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot gebruikmaking van zijn ontslagbevoegdheid op de gebezigde grond.

1.3.

Bij uitspraken van 26 juni 20143, 29 oktober 20154, 13 april 20175 en 4 oktober 20186 heeft de Raad eerdere verzoeken om herziening van de uitspraak van 4 april 2013 afgewezen.

1.4.

Bij uitspraak van 24 december 20207 heeft de Raad beslist op een hoger beroep dat onder meer betrekking had op een door verzoeker op 21 januari 2019 gemaakt bezwaar, gericht tegen een kostenplaatswijziging per 1 januari 2009. Bij de in die zaak aangevochten uitspraak van de rechtbank van Midden-Nederland van 17 februari 20208 is dit bezwaar, zelf voorziend, niet-ontvankelijk verklaard. Bij de uitspraak van 24 december 2020 heeft de Raad de uitspraak van 17 februari 2020 op dit punt bevestigd.

2.1.

Het verzoek om herziening richt zich, evenals de eerdere verzoeken, alleen tegen de onder 1.2 weergegeven onderdelen van de uitspraak van 4 april 2013. Verzoeker heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Volgens verzoeker is geen sprake is geweest van een deugdelijke bekendmaking van een besluit tot indeling bij de subonderzoeksgroep [onderdeel 2] en is een dergelijk besluit dus ook nooit in werking is getreden. Hij was werkzaam bij de subonderzoeksgroep [onderdeel 3] . Daarnaast blijkt volgens verzoeker dat sprake is geweest van een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Daarbij heeft verzoeker vele stukken ingebracht. Tot slot heeft het college volgens verzoeker ter zitting van 27 januari 2020 erkend dat per 1 januari 2009 sprake is geweest van een overplaatsing naar [onderdeel 3] (codenaam voor [onderdeel 3] ).

2.2.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat wat verzoeker heeft aangevoerd geen reden geeft om de uitspraak van 4 april 2013 te herzien.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Een uitspraak kan alleen worden herzien als blijkt van relevante nieuwe feiten of omstandigheden zoals omschreven in 3.1. De mogelijkheid een herzieningsverzoek in te dienen is er niet voor bedoeld om - al dan niet op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.9

3.3.

De Raad komt ten aanzien van het nu te beoordelen - vijfde - verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 april 2013 niet tot een ander oordeel dan ten aanzien van de eerdere verzoeken om herziening.

3.4.

Verzoeker heeft in de loop van deze procedure vele stukken ingediend die al bij de eerdere herzieningsverzoeken waren overgelegd. Wat betreft die stukken volstaat de Raad met een verwijzing naar de uitspraken naar aanleiding van die eerdere verzoeken. Wat verzoeker naar voren heeft gebracht over de verwerking van persoonsgegevens, kan - als zodanig - niet worden aangemerkt als feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd, heeft daarop geen betrekking.

3.5.

Het door verzoeker overgelegde besluit van 24 augustus 2000 betreft een aan hem gericht besluit tot bevordering naar de functie van senior docent-onderzoeker. Het is niet gebleken dat hij dit stuk niet (opnieuw) had kunnen verkrijgen en had kunnen inbrengen in de hogerberoepsprocedure, nog daargelaten de vraag in hoeverre dit stuk kan afdoen aan het oordeel van de Raad over de werkzaamheden die verzoeker acht jaar later verrichtte. Dit stuk levert geen feit of omstandigheid op zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

3.6.

Dit geldt ook voor de door verzoeker overgelegde publicatielijst uit 2007. Voor zover al moet worden aangenomen dat verzoeker dit stuk niet eerder had kunnen verkrijgen en in de hogerberoepsprocedure had kunnen inbrengen, kan op basis van dit enkele stuk niet worden vastgesteld dat zijn functie organisatorisch was ingebed in het onderdeel [onderdeel 3] . Daarbij is mede van belang dat het college deze stelling gemotiveerd, en met stukken (nader) onderbouwd, heeft weersproken.

3.7.

Bij brief van 31 oktober 2019 heeft verzoeker het college verzocht te onderbouwen dat de beweerdelijke indeling bij het onderdeel [onderdeel 2] aan hem bekend is gemaakt. Bij het uitblijven van een reactie zal verzoeker aannemen dat nooit een bekendmaking heeft plaatsgevonden. Het college heeft verzoeker op 11 november 2019 meegedeeld dat hij gronden naar voren brengt die hij al heeft aangevoerd in diverse eerdere procedures en dat het verzoek geen aanleiding geeft nadere stappen te ondernemen. Uit die mededeling kan niet worden afgeleid dat sprake is van feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

3.8.

Wat betreft de door verzoeker overgelegde mutatieverslagen volgt de Raad het college in zijn stelling dat deze stukken slechts bevestigen wat al bekend was over de registratie van de administratieve kostenplaatstoewijzing vanaf 1 juli 2008. Verder verwijst de Raad in dit verband naar wat hierover is overwogen in de uitspraken van 13 april 2017 en 24 december 2020. Ook op dit punt is dus geen sprake van feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

3.9.

Dit geldt, tot slot, eveneens voor de door verzoeker gestelde verplaatsing van zijn functie per 1 januari 2009 naar een ander onderdeel. Van een erkenning door het college van een dergelijke verplaatsing is, anders dan verzoeker stelt, geen sprake geweest. Ook in dit verband wordt verwezen naar de uitspraken van 13 april 2017 en 24 december 2020.

3.10.

Gelet op het voorgaande moet het verzoek worden afgewezen.

4.1.

Alhoewel door het college niet is verzocht om verzoeker te veroordelen tot vergoeding van proceskosten spreekt de Raad, in dit geding ten overvloede, als zijn oordeel uit dat het doen van een vijfde verzoek om herziening in een geval als het onderhavige, grenst aan kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. De Raad adviseert verzoeker om zich neer te leggen bij de uitspraak van 4 april 2013 en een zesde verzoek achterwege te laten.

4.2.

In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad thans geen aanleiding ziet tot een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2021.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) D. Al-Zubaidi

1 ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6178.

2 Zaaknummers 09/390, 10/2258, 10/3647, 10/4325.

3 ECLI:NL:CRVB:2014:2180.

4 ECLI:NL:CRVB:2015:3772.

5 ECLI:NL:CRVB:2017:1424.

6 ECLI:NL:CRVB:2018:3077.

7 ECLI:NL:CRVB:2020:3529.

8 Zaaknummer 19/1538.

9 Uitspraak van 26 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2180.