Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:199

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
01-02-2021
Zaaknummer
19/2343 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene gedurende deze periode in de brp stond ingeschreven onder hetzelfde adres als haar ouders. Betrokkene heeft in die periode dan ook niet voldaan aan de verplichtingen om in aanmerking te komen voor studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende, zoals door de wetgever is bepaald in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Daarom is zij in die periode voor haar recht op studiefinanciering niet aan te merken als een uitwonende studerende. Voor toepassing van de hardheidsclausule behoefde de minister geen aanleiding te zien nu de vaststelling van thuiswonendheid in een situatie als deze, volledig in overeenstemming is met de bedoeling die de wetgever met de regeling in de artikelen 1.1 en 1.5 van de Wsf 2000 voor ogen heeft gestaan. Anders dan de rechtbank geoordeeld heeft, was de minister bevoegd tot herziening op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000. Nu het oordeel van de rechtbank geen stand houdt, zal de Raad de niet besproken beroepsgrond tegen het bestreden besluit beoordelen. De beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel is omdat betrokkene, gelet op haar feitelijke woonsituatie de woonlasten en kosten heeft gehad van een uitwonende studerende, maakt niet dat de minister aanleiding had hoeven zien om (gedeeltelijk) van uitoefening van zijn bevoegdheid tot herziening af te zien. Gelet op deze duidelijke keuze van de wetgever bestaat er voor de minister geen ruimte om bij de belangenafweging betekenis te hechten aan het enkele feit dat er kosten zijn gemaakt vergelijkbaar met de kosten die een volgens de wet uitwonende studerende maakt. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2343 WSF

Datum uitspraak: 27 januari 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 mei 2019, 17/2858 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 16 december 2020. Aan de zitting hebben deelgenomen de minister, vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter, en betrokkene.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, aan betrokkene met ingang van 1 augustus 2015 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is voortgezet voor het jaar 2016.

1.2.

Bij besluit van 7 april 2017 heeft de minister de aan betrokkene toegekende studiefinanciering over de periode van april 2016 tot en met augustus 2016 herzien, in die zin dat zij in deze periode als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is de over die periode te veel betaalde studiefinanciering van haar teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 3 juli 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 april 2017 voor zover het betreft de maand augustus 2016 gegrond verklaard, en voor het overige ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat bij een adrescontrole is gebleken dat betrokkene en haar ouders van 1 april 2016 tot 1 augustus 2016 in de basisregistratie personen (brp) staan ingeschreven onder het [adres] te [plaatsnaam] . Nu betrokkene in de brp onder hetzelfde adres als haar ouders staat ingeschreven heeft zij over die periode geen recht op een uitwonendenbeurs. Dat betrokkene feitelijk uitwonend is in die periode wordt niet betwist.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 7 april 2017 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene en haar ouders in de in geding zijnde periode in het voormalige verzorgingstehuis in [plaatsnaam] woonden en zij onder hetzelfde adres waren ingeschreven in de brp. Ook niet in geschil is dat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden voor een uitwonendenbeurs zoals neergelegd in de artikelen 1.1 en 1.5 van de Wsf 2000. De rechtbank is van oordeel dat het betrokkene evenwel niet kan worden verweten dat zij niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zodat het op de weg van de minister had gelegen om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 en daarmee van herziening af te zien. Daartoe zijn de volgende, door de minister niet betwiste, omstandigheden van belang geacht. Betrokkene was feitelijk uitwonend. Zij woonde al langere tijd zelfstandig in twee kamers in het voormalige verzorgingstehuis toen haar ouders daar tijdelijk kwamen wonen in twee andere kamers. De kamers in het voormalige verzorgingstehuis zijn zelfstandige wooneenheden met een eigen keuken, douche- en toiletruimte. Betrokkene en haar ouders betaalden elk hun eigen woonlasten en voerden een zelfstandige huishouding.

3. De minister heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat hij aanleiding had moeten zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Naar zijn opvatting is het oordeel van de rechtbank onjuist in het licht van de vaste rechtspraak van de Raad op dit gebied. Uit deze rechtspraak volgt dat de wet geen ruimte biedt voor het toekennen van betekenis aan de feitelijke woonsituatie van de studerende, dat er geen betekenis toekomt aan de vraag wiens oorspronkelijke adres het is of aan de omstandigheden die hebben geleid tot het gemeenschappelijke woonadres. Nu onverkorte toepassing van artikel 1.5 van de Wsf 2000 in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever kan van toepassing van de hardheidsclausule geen sprake zijn.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

In geschil is de herziening van de studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende over de periode april 2016 tot en met juli 2016 en de daaruit voortvloeiende terugvordering. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene gedurende deze periode

in de brp stond ingeschreven onder hetzelfde adres als haar ouders. Betrokkene heeft in die periode dan ook niet voldaan aan de verplichtingen om in aanmerking te komen voor studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende, zoals door de wetgever is bepaald in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Daarom is zij in die periode voor haar recht op studiefinanciering niet aan te merken als een uitwonende studerende.

4.3.

Voor toepassing van de hardheidsclausule behoefde de minister geen aanleiding te zien nu de vaststelling van thuiswonendheid in een situatie als deze, volledig in overeenstemming is met de bedoeling die de wetgever met de regeling in de artikelen 1.1 en 1.5 van de Wsf 2000 voor ogen heeft gestaan. Er komt geen betekenis toe aan de, tussen partijen niet in geschil zijnde, omstandigheden dat betrokkene en haar ouders ten tijde hier van belang feitelijk woonden in zelfstandige wooneenheden met eigen voorzieningen, dat zij hun eigen woonlasten droegen en afzonderlijk een huishouding voerden en dat betrokkene er al woonde op het moment dat haar ouders tijdelijk in het voormalige verzorgingstehuis kwamen wonen.

De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraken van 26 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2137; 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2534 en 11 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3974. De uitzonderlijke situatie die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 25 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE6614, doet zich bij betrokkene niet voor. Dat de ouders van betrokkene, ter overbrugging van de periode tussen de verkoop van hun huis en het betrekken van een nieuwe woning, ervoor hebben gekozen om tijdelijk te gaan wonen op hetzelfde brp-adres als dat van betrokkene, komt voor de toepassing van de Wsf 2000 voor rekening en risico van betrokkene.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat, anders dan de rechtbank geoordeeld heeft, de minister bevoegd was tot herziening op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000.

4.5.

Nu het oordeel van de rechtbank geen stand houdt, zal de Raad de niet besproken beroepsgrond tegen het bestreden besluit beoordelen.

4.5.1.

De beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel is omdat betrokkene, gelet op haar feitelijke woonsituatie de woonlasten en kosten heeft gehad van een uitwonende studerende, maakt niet dat de minister aanleiding had hoeven zien om (gedeeltelijk) van uitoefening van zijn bevoegdheid tot herziening af te zien. Betekenis hechten aan de door betrokkene gestelde omstandigheden bij de belangenafweging zou er namelijk toe leiden dat indirect afgeweken wordt van artikel 1.5 van de Wsf 2000 dat dwingend voorschrijft dat eerst recht op een uitwonendenbeurs bestaat wanneer aan de daarin omschreven verplichtingen is voldaan. Gelet op deze duidelijke keuze van de wetgever bestaat er voor de minister geen ruimte om bij de belangenafweging betekenis te hechten aan het enkele feit dat er kosten zijn gemaakt vergelijkbaar met de kosten die een volgens de wet uitwonende studerende maakt.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5.1 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juli 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) B.H.B. Verheul