Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1986

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
18/5297 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien, intrekken en terugvorderen bijstand. Niet gemelde kasstoring en gokactiviteiten. Recht niet schattenderwijs vast te stellen. Gelet op het aantal en frequenties van de geldopnamen bij pinautomaten in gokinstellingen heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant gokactiviteiten heeft verricht, waarvan hij geen melding heeft gemaakt. Het recht op bijstand kan niet schattenderwijs worden vastgesteld ook al is het totale bedrag aan stortingen en bijschrijvingen bekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5297 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2018, 18/1055 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 10 augustus 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.B. Jobse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jobse. Het college heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.A.C. Kooij.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 3 november 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van het Project Heronderzoek PW 2017 heeft een medewerker van de gemeente Rotterdam een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In verband met dit onderzoek heeft appellant over de periode van 21 december 2015 tot en met 20 januari 2017 bankafschriften overgelegd. Hierop staan in verschillende maanden diverse stortingen vermeld en opnames in gokinstellingen. Appellant heeft op 17 juli 2017 schriftelijk verklaard dat de opnames in de diverse gokinstellingen hebben plaatsgevonden, omdat de pinautomaat van de ING een storing had. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 17 juli 2017.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 20 juli 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 januari 2018 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de maand januari 2016 herzien en over de maanden maart 2016, juni 2016 tot en met september 2016 en november 2016 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze maanden tot een bedrag van € 9.207,- van appellant teruggevorderd. Aan de herziening van de bijstand ligt ten grondslag dat de storting als inkomen wordt aangemerkt en op de bijstand over die maand in mindering wordt gebracht. Aan de intrekking van de bijstand ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van gokactiviteiten. Omdat de hoogte van de inkomsten uit gokactiviteiten niet kan worden vastgesteld, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

Het geschil tussen partijen ziet op de intrekking van de bijstand in de in 1.3 genoemde maanden (te beoordelen maanden).

4.2.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat hij gokactiviteiten heeft verricht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.

4.3.1.

Niet in geschil is dat appellant in de maanden maart 2016, juni 2016 tot en met september 2016 en november 2016 bedragen in gokinstellingen heeft opgenomen. Uit de bankafschriften van appellant blijkt ook dat deze opnames in maart 2016, meermalen kort achter elkaar tot een bedrag van in totaal € 550,- hebben plaatsgevonden, in juni 2016 tot een bedrag van € 1.300,-, in juli 2016 een bedrag van € 200,-, in augustus 2016 een bedrag van € 300,-, in september 2016 een bedrag van € 400,- en in november 2016 een bedrag van € 230,-. Daarnaast heeft appellant in de te beoordelen maanden meerdere stortingen gedaan variërend van € 10,- tot € 400,-. Gelet op het aantal en de frequentie van de geldopnamen bij pinautomaten in gokinstellingen in de hiervoor genoemde maanden, waarbij soms meerdere malen op één avond opnames plaatsvonden, heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant gokactiviteiten heeft verricht. Vergelijk de uitspraken van 19 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:202 en van 10 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2947.

4.3.2.

Anders dan appellant heeft betoogd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij in de betreffende gokinstellingen geld heeft opgenomen omdat sprake was van een storing van de reguliere pinautomaat in de buurt van de gokinstelling dan wel dat, zoals appellant pas ter zitting heeft gesteld, bij de betreffende pinautomaat buiten de gokinstellingen zijn opnamelimiet was bereikt. Deze stellingen heeft appellant, bij gebrek aan enige feitelijke onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat hij tijdens de zitting van de rechtbank heeft verklaard geld in gokinstellingen op te nemen om daar wat te drinken met vrienden. Deze stelling heeft appellant, gelet op de grootte van de gepinde bedragen ook niet aannemelijk gemaakt.

4.4.

Het gokken op zichzelf is een activiteit die gemeld moet worden, omdat uit de aard daarvan voortvloeit dat er inkomsten mee kunnen worden verworven. Het college moet hiervan op de hoogte worden gesteld, zodat het kan onderzoeken of inderdaad inkomsten zijn verworven en tot welk bedrag. Vergelijk de uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:703. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van zijn gokactiviteiten en van de gokopbrengsten. Het ligt in die situatie op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij, als hij daarvan wel melding had gemaakt, recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.

Appellant heeft, subsidiair, aangevoerd dat het college zijn recht op bijstand schattenderwijs kan vaststellen. Aan de hand van de stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening is voldoende inzichtelijk wat de gokwinsten van appellant zijn geweest. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

4.5.1.

Dat het totale bedrag aan stortingen en bijschrijvingen bekend is, is onvoldoende om de omvang van de gokactiviteiten van appellant en de daaruit genoten gokopbrengsten vast te stellen. Appellant heeft namelijk geen enkel controleerbaar inzicht gegeven in de omvang van zijn gokactiviteiten en ook niet in de tijdens die activiteiten uitgekeerde bedragen in de vorm van contanten dan wel fiches of muntjes. Daardoor kan – anders dan appellant stelt – niet worden vastgesteld dat appellant alle inkomsten die hij met zijn gokactiviteiten heeft verworven geheel op zijn rekening heeft gestort. Hieruit volgt dat, anders dan appellant meent, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs.

4.6.

Uit 4.5.1 volgt dat het recht op bijstand in de in 1.3 genoemde maanden niet kan worden vastgesteld en terecht is ingetrokken.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van R. de Haas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2021.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) R. de Haas