Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
20/3728 ZW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering op grond van de ZW. Zorgvuldig medisch onderzoek. Het Uwv heeft gesteld dat verzoekster terecht geschikt is geacht voor haar maatgevende arbeid en dat voldoende gemotiveerd is waarom de griepklachten geen reden hebben gevormd om anders te oordelen. Bij deze uitkomst is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20/3728 ZW, 21/2151 ZW-VV

Datum uitspraak: 4 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 oktober 2020, 19/7017 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2021. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Bal. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoekster is laatstelijk van 1 november 2018 tot 1 mei 2019 werkzaam geweest als administratief medewerkster voor 30 uur per week. Zij ontvangt met ingang van 1 juni 2019 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en heeft zich op 1 augustus 2019 ziek gemeld met stressgerelateerde klachten.

1.2.

Op 25 september 2019 heeft verzoekster het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft verzoekster per 1 augustus 2019 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van administratief medewerkster. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 25 september 2019 verzoekster per 1 augustus niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 28 november 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 november 2019 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit gegrond verklaard omdat een omschrijving van de werkzaamheden van verzoekster ontbrak, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Alle naar voren gebrachte klachten zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Dat geldt ook voor de door verzoekster tijdens de hoorzitting in bezwaar en beroep naar voren gebrachte aanvullende klachten, te weten de luchtweg- en benauwdheidsklachten en de ernstige griep, die volgens verzoekster de (onmiddellijke) aanleiding vormden voor haar ziekmelding op 1 augustus 2019. Ook de eigen bevindingen uit het medisch onderzoek tijdens het spreekuur bij de (verzekerings)arts en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector, het rapport van 4 februari 2016 van Ausems en Kerkvliet en de medicatieoverzichten zijn op deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de beoordeling, alsmede het dagverhaal van verzoekster. Er is geen reden om aan te nemen dat de (verzekerings)artsen aspecten van de gezondheidstoestand van verzoekster hebben gemist. Ook is de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van verzoekster voor de maatgevende arbeid op de datum in geding in de rapporten van de (verzekerings)artsen op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 25 november 2019, 19 februari 2020 en 23 juni 2020 van belang geacht. Hieruit komt naar voren dat verzoekster bekend is met aanmerkelijke en al langer bestaande medische klachten, maar dat zij desondanks in staat is om met deze klachten, waaronder de luchtweg- en (steeds terugkerende) griepklachten, haar werkzaamheden te verrichten, waarbij zij niet hoeft te verzuimen. Omdat verzoekster haar standpunt niet met (nadere) medische informatie heeft onderbouwd, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen van de (verzekerings)artsen. Aan de verklaring van haar kennissen kan niet de waarde worden gehecht die verzoekster daaraan geeft, omdat deze kennissen geen medische specialisten zijn. Aan de algemene verklaring van de huisarts van 7 april 2020 is de rechtbank voorbijgegaan, alleen al omdat uit deze verklaring niet volgt dat verzoekster op 1 augustus 2019 zo ernstig ziek was dat zij op dat moment onmogelijk tot werken in staat was.

3.1.

Verzoekster heeft in hoger beroep het standpunt herhaald dat zij op 1 augustus 2019 ongeschikt was voor haar eigen werk. Zij heeft naar voren gebracht dat de concrete aanleiding voor de ziekmelding op 1 augustus 2019 niet alleen ernstige vermoeidheid en stress/burnoutklachten zijn geweest, maar ook dat zij last had van haar luchtwegen en griepklachten. Verzoekster heeft de verklaring van haar kennissen hierover niet als medisch stuk overlegd, maar als bevestiging van het feit dat ze op 1 augustus 2019 ziek was. Tevens heeft verzoekster een brief van haar huisarts van 21 juni 2021 en een afschrift van 1 augustus 2019 van WhatsApp-berichten aan haar kinderen ingebracht. Verzoekster stelt dat het Uwv heeft verzuimd te onderbouwen dat zij met de toegenomen griepklachten in staat was te functioneren in de maatgevende functie. Hangende dit hoger beroep heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Als spoedeisend belang hierbij heeft zij naar voren gebracht dat zij deels in het buitenland leeft en te weinig middelen heeft om rond te komen.

3.2.

Het Uwv heeft gesteld dat verzoekster terecht geschikt is geacht voor haar maatgevende arbeid en dat voldoende gemotiveerd is waarom de griepklachten geen reden hebben gevormd om anders te oordelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

Uit wat door verzoekster over haar financiële situatie naar voren heeft gebracht, met name tijdens de behandeling ter zitting, is aannemelijk geworden dat zij er spoedeisend belang bij heeft dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.

4.4.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.5.

De door verzoekster in hoger beroep ingediende gronden zijn in essentie een herhaling van de gronden die ook in beroep zijn aangevoerd. Hetgeen verzoekster in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden dan ook onderschreven. Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat zij haar werkzaamheden als administratief medewerkster, ook als zij een periode ziek was, steeds heeft kunnen uitoefenen omdat het voor haar mogelijk was de meeste taken niet alleen vanuit de thuissituatie te verrichten maar ook verspreid over de week, over de dag en avond en dat zij dat naar eigen inzicht kon doen. Zij heeft haar werkzaamheden, ondanks haar aanzienlijke beperkingen in de periode van 1 november 2018 tot 1 mei 2019 steeds kunnen verrichten. Dit blijkt ook uit het schrijven van haar voormalig werkgever van 21 juli 2021. Aangezien het hier gaat om bijzondere aspecten van het werk, welke een verlichtend karakter hadden en een werkhervatting dus niet in de weg stonden, kunnen deze bij de beoordeling van de geschiktheid van haar arbeid niet buiten beschouwing worden gelaten. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 6 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0672. Daarbij wordt erop gewezen dat ook door de gemachtigde van verzoekster is benadrukt dat in haar geval sprake was van een ‘witte-ravenbaan’. Verzoekster heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die haar standpunt onderbouwen dat haar gezondheid op 1 augustus 2019 nog slechter was dan voordien. De door verzoekster in hoger beroep ingebrachte printscreens van WhatsApp-berichten van 1 augustus 2019 onderschrijven dat zij op dat moment ziek was, maar daaruit volgt niet dat zij niet geschikt was om haar arbeid te verrichten gelet op de verlichtende aspecten van haar werk en de manier waarop zij aan haar werk invulling kon en mocht geven. Ook het gestelde in de brief van haar huisarts van 21 juni 2021 geeft geen aanleiding voor een andere conclusie, nu deze brief geen betrekking heeft op de medische situatie van verzoekster op 1 augustus 2021.

4.6.

De overwegingen in 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H. Rottier, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2021.

(getekend) H. Rottier

(getekend) V.M. Candelaria