Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
20/2381 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een WIA-uitkering toe te kennen. Gelet op artikel 9, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit moet een praktische schatting plaatsvinden in die gevallen waarin deze leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid dan een zogenoemde theoretische schatting. Dat is bij appellante het geval. Het Uwv heeft de praktische schatting aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Op basis van de inkomsten die appellante hiermee kon verdienen, heeft het Uwv een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2381 WIA

Datum uitspraak: 5 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 mei 2020, 19/4235 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F.M. Groot Kormelink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2021. Namens appellante is haar echtgenoot verschenen, bijgestaan door mr. Groot Kormelink. Het Uwv heeft zich telefonisch laten vertegenwoordigen door M.M.J. Budel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als kinderverpleegkundige voor 20 uur per week. Op 24 februari 2017 heeft appellante zich ziek gemeld met vermoeidheids- en spanningsklachten. In november 2018 is appellante bij haar eigen werkgever gaan werken als applicatiebeheerder voor 15,99 uur per week. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante op 30 november 2018 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkheden-lijst (FML) van 30 november 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens vastgesteld dat appellante met het werk als applicatiebeheerder voor 15,99 uur per week dat zij sinds november 2018 is gaan verrichten bij haar eigen werkgever, een verlies aan verdiencapaciteit heeft van minder dan 35%. Bij besluit van 3 januari 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 14 februari 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 juni 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 13 mei 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 25 juni 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het verlies aan verdienvermogen daarbij zowel vastgesteld op grond van een zogenaamde theoretische schatting als op grond van een zogenaamde praktische schatting aan de hand van de door appellante gerealiseerde feitelijke loonwaarde, waarbij de praktische schatting tot een lager arbeidsongeschiktheidspercentage heeft geleid.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is verricht en dat de medische belastbaarheid van appellante op de datum in geding op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De rechtbank heeft overwogen in wat appellante heeft aangevoerd, geen aanleiding te zien om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv voldoende gemotiveerd heeft dat appellante met haar krachten en bekwaamheden in staat is het werk in de functie van applicatiebeheerder te verrichten. Uit het in beroep ingebrachte loonwaarderapport blijkt niet dat de door appellante in deze functie verrichte feitelijke arbeid haar belastbaarheid overschrijdt. Ten tijde van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep verrichtte appellante dit werk ruim zes maanden en niet is gebleken dat zij zich in die zes maanden regelmatig ziek heeft gemeld. Dat de functie applicatiebeheerder een jaar na datum in geding is komen te vervallen, maakt het oordeel niet anders. Het gaat bij de toepassing van artikel 9, onder h, van het Schattingsbesluit om feitelijk verrichte arbeid waarbij het geen vereiste is dat de arbeid duurzaam zal bestaan.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij per 14 februari 2019 recht heeft op een WIA-uitkering. Appellante heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek van het Uwv niet zorgvuldig is geweest en dat de daaruit getrokken conclusies van de verzekeringsartsen over haar medische beperkingen onjuist zijn. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten te motiveren waarom zij geen aanleiding heeft gezien om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Appellante heeft de Raad met een beroep op het KoroŇ°ec-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) verzocht om dit alsnog te doen. Appellante is het daarnaast oneens met het oordeel van de rechtbank over de praktische schatting. Zij heeft gesteld dat de functie van applicatiebeheerder voor haar niet passend was.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In dit geval berust de schatting onder toepassing van artikel 9, aanhef en onder h en i, van het Schattingsbesluit op de werkzaamheden van appellante als applicatiebeheerder. Daarbij is van belang de vraag of de betreffende werkzaamheden passend kunnen worden geacht voor de werknemer en, daarmee samenhangend, of de genoten verdiensten als representatief voor de resterende verdiencapaciteit kunnen worden aangemerkt. Bij dit laatste speelt ook de duurzaamheid van de arbeidsverrichting een rol. Verwezen wordt naar de door de Raad ontwikkelde rechtspraak, zoals onder meer neergelegd in de uitspraken van 18 maart 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP8481) en 20 december 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:4352).

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Vastgesteld wordt dat appellante in hoger beroep (tot aan de zitting) geen gronden heeft ingebracht tegen het oordeel van de rechtbank dat de door appellante in de functie applicatiemedewerker verrichte feitelijke arbeid haar belastbaarheid niet overschrijdt. De stelling van appellante ter zitting dat zij wel degelijk meerdere keren voor het werk als applicatiebeheerder is uitgevallen en zij het werk in deze functie alleen heeft kunnen volhouden door flexibel opstellen van de werkgever, is niet nader (met stukken) onderbouwd en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Hieruit volgt dat het oordeel dat de functie applicatiebeheerder in de omvang van 16 uur per week in medisch opzicht passend kan worden geacht, wordt gevolgd. De verdiensten uit deze arbeid kunnen daarnaast als representatief voor de resterende verdiencapaciteit worden aangemerkt. De omstandigheid dat de functie applicatiebeheerder een jaar na de datum in geding, dan wel blijkens een door appellante overlegd advies van de bedrijfsarts per 1 oktober 2020, zou komen te vervallen, maakt dat niet anders. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 15 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4724.

4.3.

Het Uwv wordt gevolgd in de toelichting dat het Uwv moet uitgaan van het het loon voor de sociale verzekeringswetten (sv-loon) zoals dat door de werkgever wordt opgegeven voor de polisadministratie. De stelling ter zitting dat werkgever uit sociaal oogpunt appellante in de functie van applicatiebeheerder een (garantie)toeslag is blijven betalen, hoewel zij daar naar eigen zeggen geen recht meer op had, is, wat daar ook van zij, geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Er is daarom geen aanleiding om de berekening van de resterende verdiencapaciteit door het Uwv niet te volgen.

4.4.

Gelet op artikel 9, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit moet een praktische schatting plaatsvinden in die gevallen waarin deze leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid dan een zogenoemde theoretische schatting. Dat is bij appellante het geval. De gronden van het hoger beroep die gericht zijn tegen de theoretische schatting, waaronder de vaststelling van de medische beperkingen van appellante en het verzoek om een onafhankelijk deskundige te benoemen, behoeven daarom geen bespreking.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het Uwv de praktische schatting aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Op basis van de inkomsten die appellante hiermee kon verdienen, heeft het Uwv een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2021.

(getekend) S. Wijna

(getekend) H. Spaargaren