Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
20/898 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag Wajong-uitkering terecht afgewezen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant terecht als studerende is aangemerkt, als bedoeld in artikel 1:4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wajong. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het [College] en onvoldoende naar de feitelijke situatie heeft gekeken. Het Uwv heeft zich gebaseerd op de informatie op de website van het [College] , de verkregen informatie van appellant, ouders en directrice van het [College] en inzichtelijk de redenen uiteengezet waarom sprake is van onderwijs of opleiding als bedoeld in artikel 1:4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wajong. Met de stelling ten slotte dat het [College] geen BRIN nummer heeft zoals onderwijsinstellingen dat wel hebben, gaat appellante eraan voorbij dat het bij de categorie van artikel 1:4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wajong nu juist gaat om niet op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 erkende opleidingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 898 WAJONG

Datum uitspraak: 5 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 januari 2020, 19/1680 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Winter hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nog een stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2021. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn ouders en bijgestaan door mr. Winter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [geboortedatum] 2000, heeft met een door het Uwv op 30 mei 2018

ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Sinds 5 maart 2018 gaat appellant naar het [College] van de [Stichting 2] . Aanvankelijk is appellant daar drie dagen in de week en later is dit uitgebreid naar vier dagen. Voor de bekostiging hiervan is appellant vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een indicatie voor begeleiding in de vorm van dagbesteding toegekend. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant geen arbeidsvermogen heeft en dat deze situatie duurzaam is. Omdat appellant een opleiding volgt heeft het Uwv bij besluit van 4 september 2018 de aanvraag van appellant afgewezen.

1.2.

Bij besluit van 4 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 4 september 2018 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Omdat appellant vanaf 19 februari 2019 niet meer aan het [College] studeert heeft het Uwv appellant bij besluit van 25 maart 2019 met ingang van 19 februari 2019 een Wajong-uitkering toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant terecht als studerende als bedoeld in artikel 1:4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wajong is aangemerkt. Appellant volgt een traject bij het [College] en dat moet worden gezien als onderwijs of een (beroeps)opleiding. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het [College] zich presenteert als een horeca ontwikkelingstraject waarbij kan worden gewerkt in de keuken of in de bediening. Dit traject kan worden afgesloten met het door de branche erkende SVH horeca certificaat en deelnemers moeten opdrachten behalen om verder in het traject te mogen gaan. De stelling van appellant dat sprake is van arbeidsmatige dagbesteding wordt volgens de rechtbank niet ondersteund door de onderzoeksresultaten. De enkele omstandigheid dat het [College] een indicatie voor dagbesteding als toelatingseis hanteert, maakt niet dat om die reden geen sprake is van een opleiding of onderwijs. De rechtbank oordeelt dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat een uitsluitingsgrond van toepassing is waardoor appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij ten onrechte is aangemerkt als studerende in de zin van artikel 1:4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wajong. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar de gronden van het bezwaar- en beroepschrift. Volgens appellant is de rechtbank onvoldoende ingegaan op zijn argumenten en heeft de rechtbank onvoldoende oog gehad voor de feitelijke situatie bij het [College] .

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Op grond van artikel 1:4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wajong wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen als studerende aangemerkt de persoon die, hoewel hij niet op grond van de onderdelen a tot en met d als studerende wordt aangemerkt, niettemin in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld tenminste 213 klokuren per kwartaal, voor zolang hij de leeftijd van 30 jaar nog niet heeft bereikt.

4.1.2.

Op grond van artikel 1a:2 van de Wajong heeft de jonggehandicapte recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, tenzij op hem een uitsluitingsgrond van toepassing is.

Op grond van artikel 1a:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong – zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding – is het zijn van studerende een uitsluitingsgrond.

4.2.

Tussen partijen is in geding of deze uitsluitingsgrond op appellant van toepassing is. In het bijzonder gaat het om de vraag of de activiteiten die appellant heeft verricht bij het [College] kunnen worden aangemerkt als lessen of stages in verband met onderwijs of een beroepsopleiding.

4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant terecht als studerende is aangemerkt, als bedoeld in artikel 1:4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wajong. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het [College] en onvoldoende naar de feitelijke situatie heeft gekeken. Het Uwv heeft zich gebaseerd op de informatie op de website van het [College] , de verkregen informatie van appellant, ouders en directrice van het [College] en inzichtelijk de redenen uiteengezet waarom sprake is van onderwijs of opleiding als bedoeld in artikel 1:4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wajong. Volgens de informatie op de website van het [College] wordt aan jongeren met een verstandelijke beperking van 18 tot 30 jaar een leer-werktraject aangeboden, dat in ongeveer een jaar opleidt voor het landelijk erkende SVH horeca diploma op het niveau van horeca assistent. In het kader van dit leer-werktraject worden onder begeleiding van leermeesters werkzaamheden verricht in [opleidingsrestaurant] , het opleidingsrestaurant van het [College] . Zodra het certificaat van horeca assistent is behaald doet het [College] haar uiterste best om een passende vervolgplek te zoeken richting betaald werk of arbeidsmatige dagbesteding, bijvoorbeeld in een restaurant, kantine, lunchroom of bij een slager of bakker. Deze informatie wordt bevestigd door de van de directrice van het [College] verkregen informatie en het in hoger beroep overgelegde stuk van een senior consulent passend onderwijs van het [College] , waarin gesproken wordt over ‘dagbesteding plus’. Gelet hierop hebben de activiteiten die appellant ten tijde in geding verrichtte voor het [College] en restaurant [opleidingsrestaurant] onmiskenbaar een opleidingsdoel, waardoor deze zich onderscheiden van activiteiten in het kader van dagbesteding. Anders dan appellant ter zitting heeft betoogd is daarbij niet doorslaggevend dat niet iedere deelnemer in het leer-werktraject het certificaat van horeca assistent weet te behalen of kan uitstromen naar betaald werk. Evenmin is relevant dat het [College] een indicatie voor dagbesteding als toelatingseis hanteert en het leer-werktraject door de deelnemers aan het traject kennelijk wordt bekostigd uit hun persoonsgebonden budget. Met de stelling ten slotte dat het [College] geen BRIN nummer heeft zoals onderwijsinstellingen dat wel hebben, gaat appellante eraan voorbij dat het bij de categorie van artikel 1:4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wajong nu juist gaat om niet op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 erkende opleidingen.

4.4.

Uit het bovenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en M.L. Noort als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2021.

(getekend) E.J.J.M Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.