Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
20/149 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatman juist vastgesteld. Bij de vaststelling van het recht op uitkering is het maatmaninkomen van appellante op juiste wijze vastgesteld. Gelet op artikel 8, tweede lid, van het Schattingsbesluit wordt bij een herziening van de uitkering voor wat betreft het maatmaninkomen geen rekening gehouden met na de eerste vaststelling feitelijk opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen, maar wordt volstaan met een indexering op de wijze zoals in dat artikellid is bepaald. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat dit kan meebrengen dat in de loop der tijd het geïndexeerde maatmaninkomen enerzijds en de feitelijke verdiensten uit de gerealiseerde restverdiencapaciteit anderzijds geen gelijke tred meer met elkaar houden. Dit maakt echter niet dat het Uwv geen toepassing mocht geven aan de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 8, tweede lid, van het Schattingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 149 WIA

Datum uitspraak: 5 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 december 2019, AWB 18/1949 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Meys, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Meys. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft zich per 22 mei 2012 ziekgemeld voor haar werkzaamheden als senior

analiste bij het [ziekenhuis] voor 40,15 uur per week. Sinds 20 mei 2014 ontvangt appellante een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 47,89%. Met ingang van 20 september 2015 ontvangt appellante een loonaanvullingsuitkering. Appellante is naast haar uitkering werkzaam gebleven voor haar werkgever en werkt 24 uur per week in dezelfde functie waarin zij werkte voordat zij ziek werd. De inkomsten uit arbeid die appellante naast de WIA-uitkering ontvangt heeft het Uwv verrekend.

1.2.

Bij besluit van 15 maart 2018 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante met ingang van 16 mei 2018 beëindigd omdat zij een jaar onafgebroken meer dan 65% van het maatmaninkomen heeft verdiend. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 12 juli 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen een berekening van het maatmaninkomen van 3 juli 2018 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 juli 2018 ten grondslag. De mate van arbeidsongeschiktheid is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op basis van de feitelijke inkomsten van appellante vastgesteld op 28,42%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat van een juist maatmaninkomen is uitgegaan en dat een maatmanwissel niet aan de orde is. De rechtbank volgt het Uwv in het standpunt dat geen sprake is van een niet gerealiseerde toekomstverwachting, van nieuwverworven bekwaamheden of van een medische afzakker. Evenmin is gebleken van andere zaken die verband houden met een maatmanwisseling. De stijging van het inkomen van appellante heeft alleen te maken met cao-stijgingen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat ten onrechte geen maatmanwissel is toegepast. Volgens appellante is de maatman niet representatief omdat het maatmaninkomen sinds de toekenning van de WIA-uitkering alleen is geïndexeerd en geen rekening is gehouden met de cao-verhogingen die sindsdien in het eigen werk van appellante hebben plaatsgevonden. Hierdoor is geen sprake van een reëel en betrouwbaar beeld van het verlies aan verdiencapaciteit. De berekening van de resterende verdiencapaciteit dient immers in overeenstemming te zijn met de feitelijke inkomensderving. Nu appellante haar oorspronkelijke werk voor 24 uur is blijven verrichten, is duidelijk wat haar inkomen geweest zou zijn als zij niet ziek was geworden en is eenvoudig vast te stellen wat haar resterende verdiencapaciteit is. In dit verband wijst appellante op de uitspraak van 7 juli 1993 (ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2469) en op een passage uit het naslagwerk Tekst en Commentaar bij artikel 6 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit).

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Zoals in artikel 8, tweede lid, van het Schattingsbesluit is bepaald, wordt het maatmaninkomen na de eerste vaststelling bij een herziening niet nogmaals gewijzigd in verband met loonsverhogingen of cao-verhogingen in het feitelijk uitgevoerde werk. Het eenmaal vastgestelde maatmaninkomen wordt verhoogd met de index zoals genoemd in artikel 8, tweede lid, van het Schattingsbesluit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is of het Uwv bij de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling uit is gegaan van de juiste maatman en daarbij terecht geen rekening heeft gehouden met de loonontwikkeling die het maatmanloon na de eerste vaststelling als gevolg van cao-verhogingen heeft doorgemaakt.

4.2.

In artikel 8, tweede lid, van het Schattingsbesluit is bepaald dat bij een herziening van de uitkering geen rekening gehouden wordt met na de eerste vaststelling opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen, met dien verstande dat bij de hernieuwde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid het maatmaninkomen wordt aangepast aan de eerst gepubliceerde cijfers van de index van de cao-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, zoals dit uiterlijk ten tijde van het arbeidsdeskundig onderzoek door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gepubliceerd.

4.3.

Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

4.4.

De door appellante in hoger beroep gegeven nadere toelichting op deze gronden bevat geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Anders dan appellante meent is een maatmanwisseling in haar geval niet aan de orde. Appellante heeft na het intreden van de arbeidsongeschiktheid hervat in haar eigen functie van senior analiste en deze werkzaamheden parttime voortgezet. Het daarmee verdiende inkomen heeft als gevolg van cao-verhogingen een zodanige ontwikkeling doorgemaakt dat, vergeleken met het geïndexeerde maatmanloon, het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% is komen te bedragen. Van een ontwikkeling van de werkzaamheden van de gedeeltelijk nog werkzame arbeidsongeschikte, zoals bedoeld in de uitspraak van 7 juli 1993 (ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2469), als gevolg waarvan ook het inkomen een ontwikkeling heeft doorgemaakt, is geen sprake. Verder is gesteld noch gebleken dat bij appellante sprake is van een situatie van verkregen nieuwe bekwaamheden, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet WIA. De hogere verdiensten vloeien, naar tussen partijen niet in geschil is, louter voort uit de cao-loonsverhogingen.

4.5.

Bij de vaststelling van het recht op uitkering is het maatmaninkomen van appellante op juiste wijze vastgesteld. Gelet op artikel 8, tweede lid, van het Schattingsbesluit wordt bij een herziening van de uitkering voor wat betreft het maatmaninkomen geen rekening gehouden met na de eerste vaststelling feitelijk opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen, maar wordt volstaan met een indexering op de wijze zoals in dat artikellid is bepaald. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat dit kan meebrengen dat in de loop der tijd het geïndexeerde maatmaninkomen enerzijds en de feitelijke verdiensten uit de gerealiseerde restverdiencapaciteit anderzijds geen gelijke tred meer met elkaar houden. Dit maakt echter niet dat het Uwv geen toepassing mocht geven aan de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 8, tweede lid, van het Schattingsbesluit.

4.6.

De overwegingen 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.7.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en M.L. Noort, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2021.

(getekend) E.J.J.M Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.