Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
19/2586 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering terecht geweigerd. 1) Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Appellante heeft niet betwist dat deze functies ook in 1997 op de arbeidsmarkt aanwezig waren. Nu op basis van deze functies sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% is appellante terecht niet als jonggehandicapte aangemerkt. 2) Niet gebleken dat in de periode van vijf jaar na het achttiende jaar van appellante sprake is geweest van toegenomen beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2586 WAJONG

Datum uitspraak: 9 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 mei 2019, 18/2192 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Broekzitter-Nieuwland, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Broekzitter-Nieuwland. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren op [geboortedatum] 1979. Bij besluit van 15 april 1999 heeft het Uwv

geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering omdat zij op en na haar achttiende verjaardag ([geboortedatum] 1997) minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Op 3 mei 2016 heeft appellante bij het Uwv het formulier ‘Aanvraag Beoordeling

arbeidsvermogen’ ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante te maken heeft met onder meer astma, een klompvoet, een verschoven rugwervel en het Ehlers-Danlos Syndroom (EDS). Bij besluit van 27 juni 2016 heeft het Uwv appellante in aanmerking gebracht voor een Indicatie banenafspraak. In het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellante te kennen gegeven dat haar aanvraag ook is gericht op het verkrijgen van een Wajong-uitkering vanwege haar toegenomen klachten. De verzekeringsarts heeft vervolgens onderzoek verricht en geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar nadat appellante achttien jaar is geworden. Bij besluit van 7 augustus 2017 heeft het Uwv geweigerd om appellante in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering.

1.3.

In bezwaar heeft het Uwv de aanvraag van appellante beoordeeld op grond van de

Wajong 2015. Beoordeeld is of binnen vijf jaar na [geboortedatum] 1997 sprake is geweest van een situatie van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Op basis van rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv geconcludeerd dat deze situatie zich niet heeft voorgedaan. Bij besluit van 8 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 7 augustus 2017 om appellante niet in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering gehandhaafd.

1.4.

Appellante heeft beroep ingesteld. Bij tussenuitspraak van 21 december 2018 heeft de

rechtbank overwogen dat het Uwv ten onrechte de Wajong 2015 heeft toegepast. Appellante is namelijk geboren vóór 1 januari 1980 en uit de uitspraak van de Raad van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111, volgt dat dan de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van toepassing zijn. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen.

1.5.

Het Uwv heeft een nieuwe beoordeling verricht op basis van de AAW. Volgens het Uwv

komt appellante per [geboortedatum] 1997, noch per [geboortedatum] 2002 (vijf jaar na haar achttiende verjaardag) in aanmerking voor een uitkering. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het Uwv rapporten overgelegd van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het

bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen hiervan in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat in de periode van [geboortedatum] 1997 tot [geboortedatum] 2002, behoudens een periode van vier weken vanwege een kleine operatie, geen sprake is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dan ook terecht vastgesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een uitkering.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij na de tussenuitspraak een zienswijze heeft ingediend en dat de rechtbank die ten onrechte niet in haar beoordeling heeft betrokken. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat tot haar drieëntwintigste verjaardag geen sprake is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Appellante stelt dat zij in deze periode te maken had met EDS en als gevolg hiervan (toegenomen) beperkingen had. Het was toen nog niet bekend dat EDS de oorzaak van haar klachten was aangezien deze diagnose eerst in 2015 is vastgesteld. Appellante heeft in die periode gewerkt maar zij stelt dat het Uwv geen dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met haar veelvuldige ziekmeldingen in die tijd. De meeste banen heeft ze niet lang kunnen behouden. Ter onderbouwing hiervan verwijst appellante onder meer naar het huisartsenjournaal en het dossier van de arbodienst. Appellante heeft de aspecten benoemd waarop zij stelt zwaarder beperkt te zijn dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. Appellante stelt dat zij niet geschikt is voor de voor haar geselecteerde functies.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ter zitting heeft appellante haar beroepsgrond over de bij de rechtbank ingediende zienswijze laten vallen.

4.2.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Uwv in beroep alsnog een inhoudelijke beoordeling verricht met betrekking tot de vraag of appellante op haar achttiende jaar dan wel in de vijf jaar daarna als jonggehandicapte moet worden aangemerkt. Daarbij heeft het Uwv het oorspronkelijke besluit van 15 april 1999 zowel medisch als arbeidskundig in volle omvang overwogen. Dit betekent dat de Raad de afwijzing van de Wajong-uitkering voor zover die ziet op de datum [geboortedatum] 1997 (achttiende verjaardag van appellante) zal toetsen aan de hand van de beroepsgronden als ware het een eerste besluit op de aanvraag.

4.3.

Wat betreft het achttiende jaar van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangesloten bij de destijds in 1999 vastgestelde beperkingen. Het voor het toenmalige Functie Informatie Systeem gebruikte scoreformulier met beperkingen heeft hij omgezet naar een Functionele Mogelijkhedenlijst van 29 januari 2019 en volgens hem is hiermee voldoende rekening gehouden met de klachten van appellante aan haar linkervoet (klompvoet). Deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. Appellante heeft niet met nieuwe medische gegevens dan wel anderszins onderbouwd dat haar beperkingen op haar achttiende jaar zijn onderschat. Uit de aanwezige medische informatie blijkt niet van meer of andere beperkingen op het achttiende jaar dan waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan. Nu de bewijslast bij een laattijdige aanvraag volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3583) bij appellante ligt, blijft het voor haar risico dat er geen informatie beschikbaar is uit de periode in geding waaruit een ander beeld naar voren komt dan thans bekend is.

4.4.

Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Appellante heeft niet betwist dat deze functies ook in 1997 op de arbeidsmarkt aanwezig waren. Nu op basis van deze functies sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% is appellante terecht niet als jonggehandicapte aangemerkt.

4.5.

Vervolgens is van belang de vraag of appellante binnen vijf jaar na het achttiende jaar alsnog als jonggehandicapte dient te worden aangemerkt in verband met toegenomen beperkingen. De rechtbank heeft deze vraag terecht ontkennend beantwoord. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat – behoudens een korte periode van maximaal vier weken na een operatieve ingreep op 25 november 1998 – in die vijf jaar geen sprake is geweest van een structureel verslechterde medische situatie. Appellante heeft gewezen op de in 2015 gestelde diagnose EDS, maar uit de beschikbare medische gegevens blijkt niet dat deze ziekte in de periode van [geboortedatum] 1997 tot [geboortedatum] 2002 al tot beperkingen heeft geleid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarover ook opgemerkt dat geenszins vaststaat dat de klachten, zoals die in het huisartsenjournaal en het overzicht van ziekmeldingen van de arbodienst naar voren komen, verband houden met EDS. Die stukken, die overigens deels betrekking hebben op de periode ná [geboortedatum] 2002, vormen voorts onvoldoende onderbouwing voor de gestelde toename van beperkingen bij appellante in de periode van [geboortedatum] 1997 tot [geboortedatum] 2002. Ook overigens heeft appellante een dergelijke toename onvoldoende onderbouwd terwijl – gelet op voormelde rechtspraak over de laattijdige aanvraag – de bewijslast bij haar ligt. De informatie van de Vereniging van Ehlers Danlos patiënten betreft algemene informatie en ziet niet specifiek op de medische situatie van appellante. Verder heeft appellante verwezen naar medische verklaringen van de reumatoloog van 6 november 2015, de nefroloog van 25 juni 2021 en naar de brief van een verpleegkundig specialist neurologie en neuroloog van 17 januari 2020. Deze medische informatie ziet vooral op de actuele situatie van appellante en niet op de situatie in de periode in geding.

4.6.

Nu niet is gebleken dat in de periode van vijf jaar na het achttiende jaar van appellante sprake is geweest van toegenomen beperkingen, kan de vraag of die beperkingen voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak achterwege blijven.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en M.L. Noort als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.