Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
18/6314 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het Uwv is geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen. Appellant heeft daarom geen belang meer bij een oordeel in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6314 ZW

Datum uitspraak: 6 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2018, 18/1737 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 9 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1448, heeft de Raad de aangevallen uitspraak bevestigd.

Na het doen van de uitspraak van 9 juli 2020 is de Raad gebleken dat mr. Vreeswijk bij brief van 9 juni 2020 aan de Raad een medische verklaring heeft gezonden en dat deze verklaring niet bij de uitspraak van 9 juli 2020 is betrokken. In verband daarmee heeft de Raad bij uitspraak van 7 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2410, de uitspraak van 9 juli 2020 vervallen verklaard.

Het Uwv heeft een nader besluit toegezonden.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk voltijds werkzaam geweest als aspirant hoofdconducteur. Zijn dienstverband is geëindigd op 21 november 2016. Op 5 oktober 2016 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Het Uwv heeft de ZW-uitkering van appellant bij besluit van 19 oktober 2017 met ingang van 20 november 2017 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 januari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgronden heeft verworpen en ten onrechte de in de aangevallen uitspraak genoemde conclusies heeft getrokken.

3.2.

Het Uwv heeft op 24 december 2020 een nader besluit genomen. Het bezwaar tegen het bestreden besluit van 10 oktober 2017 (lees: 19 oktober 2017) is alsnog gegrond verklaard. Appellant heeft vanaf 20 november 2017 onveranderd recht op een ZW-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil in deze zaak betreft het recht op ziekengeld per 20 november 2017. Het Uwv is gezien hetgeen in 3.2 is vastgesteld geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen. Appellant heeft daarom geen belang meer bij een oordeel in hoger beroep. Dit betekent dat het hoger beroep niet‑ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep (2 punten) en in hoger beroep (1,5 punten) wegens verleende rechtsbijstand, tegen een vergoeding van € 748,- per punt, in totaal € 2.618,-. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot het bedrag van € 2.618,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 172,- voldoet.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2021.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) H. Spaargaren