Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:196

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
18/4392 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:4069, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte buiten behandelingstelling aanvraag ogv art. 4:5 lid 1 Awb. Geen sprake van onvolledige of ongenoegzame aanvraag. Het bestuursorgaan was niet bevoegd om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. Na de indiening van het mutatieoverzicht door betrokkene was geen sprake meer van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag. De gevraagde gegevens over het saldo van en de mutaties op de spaarrekening heeft betrokkene reeds verstrekt met het overgelegde mutatieoverzicht. Dat voor het dagelijks bestuur eerst met de later overgelegde verklaring van de Rabobank duidelijk was hoe het mutatieoverzicht moet worden gelezen, maakt niet dat betrokkene niet de gegevens heeft verstrekt waar het dagelijks bestuur om heeft gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4392 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 19 januari 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juli 2018, 18/334 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. I. Sangster, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Mr. J.J. Jaspers, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2020. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van Schijndel. Betrokkene is verschenen met zijn bewindvoerder [naam bewindvoerder] , bijgestaan door mr. Jaspers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij beschikking van 24 augustus 2017 heeft de kantonrechter van de rechtbank

Oost-Brabant bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene.

1.2.

Op 8 september 2017 heeft betrokkene bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd voor de kosten van bewindvoering met ingang van

24 augustus 2017 tot een bedrag van € 1.129,27 en griffierecht tot een bedrag van € 78,-.

1.3.

Bij brief van 18 september 2017 heeft het dagelijks bestuur betrokkene gevraagd - voor zover hier van belang - de volgende gegevens te verstrekken:

- alle opeenvolgende afschriften van de Rabobank spaarrekening met nummer *895 (spaarrekening) over de periode van 1 juni 2016 (lees: 2017) tot en met 31 juli 2017. Indien in deze periode geen transacties op deze rekening hebben plaatsgevonden,

dienen in ieder geval een bewijs van het saldo van deze rekening op 1 augustus 2017 en objectieve en verifieerbare, van de Rabobank afkomstige bewijsstukken te worden overgelegd waaruit blijkt dat in de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 juli 2017 geen transacties op deze rekening hebben plaatsgevonden. Het dagelijks bestuur heeft hierbij vermeld dat als betrokkene deze gegevens niet tijdig verstrekt, de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld.

1.4.

Op 26 september 2017 heeft het dagelijks bestuur van betrokkene een mutatieoverzicht Rabo InternetSparen van de spaarrekening van 9 september 2017 (mutatieoverzicht) ontvangen.

1.5.

Bij besluit van 4 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 december 2017 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat betrokkene niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt. Betrokkene heeft namelijk geen afschriften van de spaarrekening over de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 juli 2017 verstrekt, geen bewijs van het saldo van deze rekening op 1 augustus 2017 en evenmin bewijsstukken waaruit blijkt dat in de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 juli 2017 geen transacties op deze rekening hebben plaatsgevonden. Hierdoor kan het recht op bijzondere bijstand niet worden vastgesteld.

1.6.

In bezwaar heeft betrokkene een brief van de Rabobank van 31 oktober 2017 overgelegd. In beroep heeft betrokkene een brief van de Rabobank van 14 maart 2018 overgelegd met als bijlage onder meer een mutatieoverzicht van de betreffende rekening van die datum.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het dagelijks bestuur ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb. Het dagelijks bestuur heeft na de aanvraag bepaald welke gegevens nodig waren voor de beoordeling daarvan en die bij betrokkene opgevraagd. De bewindvoerder van betrokkene heeft daarop gereageerd en heeft op 26 september 2017 een mutatieoverzicht Rabo InternetSparen van 9 september 2017 overgelegd. Hoewel aan het dagelijks bestuur kan worden toegegeven dat dit overzicht geen inzicht geeft in de eventuele transacties in de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 juli 2017 of het saldo per 1 augustus 2017, blijkt uit dat mutatieoverzicht wel dat het saldo over de periode van 2 januari 2013 (= het beginsaldo volgens het mutatieoverzicht) tot 2 januari 2017 (= het eindsaldo volgens het mutatieoverzicht ) € 0,- was. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de fase waarin redelijkerwijs nog kon worden gesproken van een incomplete aanvraag was gepasseerd en dat het stadium van de inhoudelijke beoordeling door het bestuursorgaan was aangebroken. Genoemd mutatieoverzicht had voor het dagelijks bestuur dan ook aanleiding moeten zijn om de aanvraag ofwel inhoudelijk in behandeling te nemen ofwel, indien gewenst, nadere informatie bij de bewindvoerder op te vragen. Nu uit de brief van de Rabobank van

31 oktober 2017 blijkt dat de betreffende rekening op 11 september 2017 is opgeheven en dat op 1 januari 2017 de laatste transactie heeft plaatsgevonden, inhoudend een rentebijschrijving van € 0,- (nihil) over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, heeft de rechtbank aanleiding gezien zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat is bepaald dat betrokkene recht heeft op bijzondere bijstand voor kosten van beschermingsbewind tot een bedrag van € 1.129,27 en griffierecht tot een bedrag van € 78,-.

3. In hoger beroep heeft het dagelijks bestuur zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of betrokkene met het door hem overgelegde mutatieoverzicht van 9 september 2017 voldoende gegevens over de spaarrekening heeft verstrekt voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag, waarbij het erom gaat of betrokkene inzicht heeft gegeven in de transacties in de periode van 1 juni 2017 tot en met

31 juli 2017 en het saldo per 1 augustus 2017.

4.3.

Op het mutatieoverzicht staat vermeld dat het beginsaldo van de spaarrekening op 2 januari 2013 € 0,- was en het eindsaldo op 2 januari 2017 eveneens € 0,- was. De mutaties op de spaarrekening zijn beperkt tot vijf mutaties, zijnde de jaarlijkse rentebijschrijvingen van het voorgaande jaar over de jaren 2012 tot en met 2016 steeds tot een bedrag van € 0,-. De laatste rentebijschrijving heeft op 1 januari 2017 plaatsgevonden. Op het mutatieoverzicht staan geen andere mutaties vermeld. De omstandigheid dat het mutatieoverzicht dateert van 9 september 2017 betekent dat er in de periode van 2 januari 2017 tot 9 september 2017 geen mutaties op de spaarrekening hebben plaatsgevonden en het saldo dus € 0,- is gebleven. In de door betrokkene overgelegde brieven van de Rabobank van 31 oktober 2017 en 14 maart 2018 wordt bevestigd dat de laatste transactie op de spaarrekening op 1 januari 2017 heeft plaatsgevonden. Als er in de periode daarna transacties zouden zijn geweest, zouden deze zichtbaar moeten zijn op het mutatieoverzicht. Gelet hierop heeft betrokkene met het mutatieoverzicht bewijs geleverd van het saldo van de spaarrekening op 1 augustus 2017, zijnde € 0,-, en ook bewijs dat in de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 juli 2017 geen transacties op deze rekening hebben plaatsgevonden. Anders dan het dagelijks bestuur heeft aangevoerd, bevatten de brieven van de Rabobank van 31 oktober 2017 en 14 maart 2018, vermeld in 1.6, geen andere of aanvullende gegevens van de spaarrekening. In deze brieven wordt een toelichting gegeven op de gegevens van het reeds overgelegde mutatieoverzicht. De gevraagde gegevens over het saldo van en de mutaties op de spaarrekening heeft betrokkene reeds verstrekt met het overgelegde mutatieoverzicht van 9 september 2017. Dat voor het dagelijks bestuur eerst met de overgelegde verklaring van de Rabobank van 31 oktober 2017 duidelijk was hoe het mutatieoverzicht moet worden gelezen, maakt niet dat betrokkene niet de gegevens heeft verstrekt waar het dagelijks bestuur om heeft gevraagd.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat na de indiening van het mutatieoverzicht door betrokkene geen sprake meer was van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag in de onder 4.1 bedoelde zin. Dat betekent dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om de aanvraag van 8 september 2017 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen.

4.5.

Gelet op 4.3 en 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd, gelet op 4.3 met verbetering van gronden.

5. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- voor verleende rechtsbijstand.

6. Van het dagelijks bestuur wordt op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.068,-;

- bepaalt dat van het dagelijks bestuur een griffierecht van € 508,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge als voorzitter en G.M.G. Hink en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van J. Siskina als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2021.

(getekend) M. ter Brugge

De griffier is verhinderd te ondertekenen.