Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
19/2648 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank is terecht tot het oordeel is gekomen dat het bezwaar niet ontvankelijk is. Met de rechtbank moet vastgesteld worden dat de brief van de Svb van 21 maart 2018 niet op rechtsgevolg is gericht, voor zover het de verhouding tussen appellante en de Svb betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2648 AOW

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 april 2019, 18/6628 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft dit doorgezonden naar de Raad.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Op 7 maart 2021 heeft appellante nog een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2021. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1. Op 28 februari 2018 en 7 maart 2018 heeft appellante een brief afgegeven bij het Svb kantoor in Roermond. In reactie hierop heeft de Svb appellante op 21 maart 2018 een brief gestuurd, waarin onder andere is opgenomen dat, voor zover appellante refereert aan het dossier van haar moeder, dit dossier in 2006 is vernietigd omdat haar moeder in 2001 is overleden. Over het ouderdomspensioen van haar moeder zullen geen beslissingen meer genomen worden. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt, dit is op 19 juni 2018 door de Svb ontvangen. Appellante heeft niet gereageerd op het verzoek van de Svb aan te geven waarom het bezwaar te laat is ingediend. In een beslissing van 8 augustus 2018 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen hiervan in stand gelaten. De Svb dient het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaar wel terecht niet-ontvankelijk verklaard maar op de onjuiste grond. De brief van 21 maart 2018 kan niet aangemerkt worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat hiertegen geen bezwaar gemaakt kon worden.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaaldelijk gewezen op het feit dat zij de bewindvoerder van haar moeder is geweest. De Svb heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Op grond van hoofdstuk 6, titel 1 en 2, van de Awb en hoofdstuk 8, afdeling 8.1.1 van de Awb kan slechts bezwaar en beroep worden ingesteld tegen een besluit, dan wel een handelen of een nalaten dat hiermee wordt gelijkgesteld. Onder besluit wordt, op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen. Hieruit volgt dat het onderwerp van een geschil de inhoud, gevolgen en eventueel totstandkoming van een besluit betreft. Hieruit volgt voorts dat artikel 8:69 van de Awb weliswaar bepaalt dat uitspraak wordt gedaan op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting, maar dat hierbij het uitgangspunt is dat dit alles moet blijven binnen de grenzen van het besluit dat aan de bestuursrechter is voorgelegd.

4.2.

Met de rechtbank moet vastgesteld worden dat de brief van de Svb van 21 maart 2018 niet op rechtsgevolg is gericht, voor zover het de verhouding tussen appellante en de Svb betreft. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het bezwaar niet ontvankelijk is. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, raakt niet aan het bestreden besluit of de aangevallen uitspraak en behoeft daarom geen bespreking.

5. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) B.H.B. Verheul