Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
21/2104 PW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afgewezen aanvraag. Onduidelijke woon-en leefsituatie. Voorlopige voorziening. Uitspraak in hoofdzaak. Niet in geschil is dat verzoekster op het uitkeringsadres woont. In geschil is de woonsituatie van appellante. De bewijslast dat verzoekster als alleenstaande, commerciële kamerhuurster, op het uitkeringsadres woont, dan wel daar een gezamenlijke huishouding voert, ligt op haar. Daarin is zij niet geslaagd. Zij heeft onduidelijke informatie verstrekt over de huur en de wijze hoe zij gebruikt maakt van de woning op het uitkeringsadres. Niet is gebleken dat het bestuur absurde eisen aan de aanvraag van appellante heeft gesteld of haar aanvragen heeft tegengewerkt. Het bestuur heeft naar aanleiding van de klacht van appellante over de wijze van vragenstellen excuus gemaakt. De klacht over het huisbezoek is ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 2104 PW-VV, 20/4479 PW

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 november 2020, 20/1002 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het dagelijks bestuur Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 6 augustus 2021

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. S.G. Blasweiler, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2021. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Blasweiler en haar moeder. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Lammers.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster huurt op het uitkeringsadres een kamer bij X voor € 400,- per maand en ontving vanaf 16 oktober 2017 bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Deze bijstand is per 25 februari 2019 ingetrokken omdat zij niet op afspraken is verschenen. Tegen dit besluit heeft verzoekster geen rechtsmiddelen aangewend. Zij bleek van 13 februari 2019 tot 12 juni 2019 in detentie te hebben gezeten.

1.2.

Verzoekster heeft zich op 13 juni 2019 gemeld om weer bijstand aan te vragen. Op 27 juni 2019 heeft zij de aanvraag ingediend.

1.3.

Om de aanvraag te beoordelen is dossieronderzoek verricht, is op 5 september 2019 met verzoekster gesproken, zijn van 6 september 2019 tot en met 11 september 2019 elke ochtend en avond waarnemingen bij het uitkeringsadres verricht, is op 12 september 2019 een huisbezoek afgelegd en weer met verzoekster gesproken. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapportage van 30 september 2019.

1.4.

Bij besluit van 30 september 2019 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen op de grond dat het onduidelijk is of verzoekster op het opgegeven adres woont en zo ja, onder welke omstandigheden.

1.5.

Naar aanleiding van het ingediende bezwaar is aanvullend onderzoek verricht. Er is op 3 december 2019 telefonisch contact geweest met de verhuurster X, van 16 december 2019 tot en met 24 december 2019 is buurtonderzoek verricht en op 24 december 2019 een waarneming bij het uitkeringsadres. Op 7 januari 2020 heeft verzoekster verklaard dat haar woonsituatie niet is veranderd sinds de aanvraag. De bevindingen van dit aanvullend onderzoek staan in een rapportage van 9 januari 2020.

1.6.

Bij besluit van 28 januari 2020 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 30 september 2019 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de woon- en leefsituatie van verzoekster onduidelijk is en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als alleenstaande recht op bijstand heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en verzocht om een voorlopige voorziening.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onder 4.2 bedoelde situatie zich hier voordoet en zal onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Beoordeling van de hoofdzaak

4.4.

De te beoordelen periode loopt van 13 juni 2019 tot en met 30 september 2019.

4.5.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die inwilliging van die aanvraag noodzakelijk maken. In dat kader moet de aanvrager de nodige duidelijkheid verschaffen en volledige opening van zaken geven. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Niet is in geschil dat verzoekster op het uitkeringsadres woont. In geschil is haar woon- en leefsituatie: woont zij als alleenstaande op het uitkeringsadres op basis van commerciële kamerhuur, of voert zij op dat adres met X of met haar ex-vriend een gezamenlijke huishouding?

4.7.

Gelet op de in 4.5 genoemde bewijslast moet verzoekster aannemelijk maken dat zij als alleenstaande op het uitkeringsadres woont. Zij is daarin niet geslaagd.

Verzoekster heeft verklaard dat zij de laatste maanden geen huur heeft betaald. Bewijs dat zij de kamerhuur van € 400,- ooit daadwerkelijk heeft betaald, ontbreekt. Verder heeft verzoekster niet kunnen uitleggen waarom zij ondanks de huurachterstand van X in de kamer mag blijven wonen, terwijl zij geen goede relatie meer met haar heeft. Bij het huisbezoek heeft verzoekster verklaard dat zij de kleine slaapkamer aan de galerijkant huurt. De grote slaapkamer aan de balkonkant, een bergruimte in de flat en de berging beneden heeft zij niet laten zien, omdat die ruimtes op slot zaten en volgens haar exclusief in gebruik zijn bij X. Maar X heeft verklaard dat verzoekster de grote slaapkamer aan de balkonkant huurt, dat zij zelf de kleine slaapkamer aan de galerijkant gebruikt en dat verzoekster gebruik mag maken van de bergruimte in de flat en van de berging beneden. Over haar ex-vriend heeft verzoekster verklaard dat zij in de periode die hier ter beoordeling staat geen contact meer met hem had, maar hem wel soms buiten tegenkwam omdat hij in de buurt woont. Bij de waarnemingen in september 2019 zijn de auto en de brommer van deze ex-vriend steeds bij het uitkeringsadres gezien. En op 24 december 2019 is waargenomen dat hij de voordeur van haar woning uitkwam en later met een sleutel de woning weer inging. Bij het buurtonderzoek hebben de buren verklaard dat verzoekster en een man op het uitkeringsadres wonen. Anders dan verzoekster meent zijn deze verklaringen niet tegenstrijdig met de verklaringen van diezelfde buren die zij in bezwaar heeft overgelegd. Verzoekster had de buren namelijk gevraagd om te verklaren dát zij op het uitkeringsadres woont, terwijl bij het buurtonderzoek is gevraagd wíe er op het uitkeringsadres woont. De buren hebben toen niet verklaard dat verzoekster er met een vrouw (X) woont. Over X is bekend dat zij is getrouwd met een man die als enig bewoner staat ingeschreven op een adres met een waterverbruik dat normaal is voor twee personen. Uit het voorgaande volgt dat de woon- en leefsituatie van verzoekster onduidelijk is gebleven, zodat het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet is vast te stellen.

4.8.

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij vanwege haar Roma-afkomst racistisch is bejegend en gediscrimineerd. Zij meent dat het dagelijks bestuur haar aanvragen om bijstand tegenwerkt en absurde eisen stelt om in aanmerking voor bijstand te kunnen komen. Over de bejegening door een medewerker tijdens een gesprek en door de medewerkers die het buurtonderzoek hebben gedaan heeft zij een klacht ingediend.

4.8.1.

Op verzoekster rust net als op iedereen die bijstand aanvraagt de verplichting om informatie over haar woon- en leefsituatie te verstrekken. Niet is gebleken dat het dagelijks bestuur daarbij aan haar absurde eisen stelt of haar aanvragen heeft tegengewerkt. Integendeel: met het aanvullend onderzoek in de bezwaarprocedure heeft verzoekster juist een extra kans gekregen om aannemelijk te maken dat zij als alleenstaande, commerciële, kamerhuurster recht heeft op bijstand. Dit geldt overigens ook voor het nadere onderzoek dat na het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan.

4.8.2.

Bij brief van 12 februari 2020 heeft het dagelijks bestuur verzoekster meegedeeld dat haar klacht is onderzocht en beoordeeld. De betreffende medewerker heeft haar manier van vragenstellen niet discriminerend bedoeld, vond het heel vervelend dat het zo wel was overgekomen en heeft haar excuses aangeboden aan verzoekster. De klacht over het buurtonderzoek is ongegrond verklaard.

4.9.

Uit 4.7 tot en met 4.8.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van W.E.M. Maas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2021.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) W.E.M. Maas