Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
18/966 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken, terugvorderen en medeterugvordering. Niet gemelde gezamenlijke huishouding. Gezamenlijk hoofdverblijf. Onderzoeksmiddelen. Beroep op zesmaandenjurisprudentie. Overschrijding redelijke termijn.

Uit de relatie van appellanten is een kind geboren zodat voor de vraag of sprake was van een gezamenlijk huishouding bepalend is of appellanten gezamenlijk hoofdverblijf hadden. Het college was zonder aanleiding bevoegd een onderzoek in te stellen. Er was geen sprake van stelselmatige waarnemingen zodat daarmee een aanvaardbare inbreuk op de privacy van appellanten is gemaakt. Het college had een redelijke grond voor het huisbezoek. De onderzoeksbevindingen bieden een voldoende grondslag voor de conclusie dat appellanten op het uitkeringsadres gezamenlijk hoofdverblijf hadden. De zogeheten zesmaandenjurisprudentie geldt niet bij een verplichting tot terugvordering. De redelijke termijn is met een jaar en zes maanden overschreden zodat een schadevergoeding van € 2.000,- wordt toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/966 PW, 18/967 PW en 18/3251 PW

Datum uitspraak: 3 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 januari 2018, 16/2654 en 16/3300 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats 1]

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard (college)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldverbinding plaatsgevonden op 11 mei 2021. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Jokhan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kindt-Jiawan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving van het college sinds 4 april 2013 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Zij staat in de Basisregistratie personen (BRP) samen met haar minderjarige zoon ingeschreven op het [uitkeringsadres] te [woonplaats 2] (uitkeringsadres). Appellant is de vader van het kind.

1.2.

Appellant, sinds 21 februari 2013 ingeschreven op het adres van zijn vader in [gemeenteplaats], ontving tot en met 31 december 2014 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Op 18 december 2014 heeft hij zich bij het college van de [naam gemeente] gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand, welke aanvraag hij op 16 januari 2015 heeft ingediend. Uit de bankafschriften die appellant in het kader van de aanvraag heeft overgelegd, bleek onder meer dat hij uitsluitend geld pint en boodschappen doet in Heerhugowaard. Verder kwam naar voren dat appellant op zijn Facebookpagina heeft vermeld dat hij sinds 2006 verloofd is met appellante, dat hij samen met haar een kind heeft dat door hem is erkend en dat hij op zijn curriculum vitae het nummer van de huistelefoon van appellante had vermeld.

1.3.

Op grond van de tijdens de aanvraagprocedure van appellant verkregen informatie is de sociale recherche een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben sociaal rechercheurs onder meer waarnemingen gedaan in de nabijheid van het uitkeringsadres in de periode van 29 januari 2015 tot en met 11 februari 2015, hebben zij buurtonderzoek verricht en hebben zij appellant op 11 februari 2015 uitgenodigd voor een gesprek. Tijdens dit gesprek heeft appellant zijn aanvraag om bijstand van 16 januari 2015 ingetrokken. Verder hebben sociaal rechercheurs op 11 februari 2015 een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres, waarbij persoonlijke spullen, kleding, verzorgingsproducten en administratie van appellant zijn aangetroffen. Op 12 februari 2015 is appellante verhoord. Appellante heeft toen verklaard dat appellant sinds ongeveer een half jaar zijn hoofdverblijf bij haar heeft, dat appellant in de zomer van 2014 met haar en haar ouders mee is geweest naar Limburg en dat sindsdien de situatie is zoals die nu is, dus dat hij zijn hoofdverblijf bij haar heeft, dat was sinds begin augustus 2014. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het (ongedateerde) rapport uitkeringsfraude gezamenlijke huishouding.

1.4.

Op 12 februari 2015 hebben appellanten bij het college een aanvraag om bijstand naar de norm voor gehuwden gedaan.

1.5.

De resultaten van het onder 1.3 genoemde onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 14 februari 2015 de bijstand van appellante met ingang van die datum te beëindigen, op de grond dat appellante sinds 1 augustus 2014 een gezamenlijke huishouding voert met appellant op het uitkeringsadres. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.6.

Bij besluit van 27 maart 2015, zoals aangevuld bij besluiten van 13 juli 2017 en 30 augustus 2017, heeft het college aan appellanten met ingang van 1 augustus 2014 bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend.

1.7.

Bij besluit van 18 januari 2016 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante van 1 augustus 2014 tot 14 februari 2015 ingetrokken. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellanten in ieder geval vanaf 1 augustus 2014 een gezamenlijk huishouding voerden op het uitkeringsadres.

1.8.

Bij besluit van 15 maart 2016 (besluit 2) heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 14 februari 2015 tot een bedrag van

€ 8.253,61 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 15 maart 2016 (besluit 3) heeft het college dit bedrag mede van appellant teruggevorderd.

1.9.

Bij besluit van 10 mei 2016 (bestreden besluit 1), zoals aangevuld bij besluit van 27 juni 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college de besluiten 1, 2 en 3 gehandhaafd. Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellante, voor zover gericht tegen de intrekking van de bijstand, ongegrond verklaard. Omdat de bijstand van appellante wegens schending van de inlichtingenverplichting terecht is ingetrokken, is de rechtbank van oordeel dat de gemaakte kosten van bijstand van appellante moeten worden teruggevorderd en dat ook appellant hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de ten onrechte verleende bijstand. Ten aanzien van de hoogte van de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat het college ten onrechte heeft nagelaten het bedrag aan aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden over de periode van 1 februari tot 12 februari 2015 (ook) in mindering te brengen op de hoogte van de terugvordering, zodat bestreden besluit 2 dient te worden vernietigd. Omdat de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de terugvordering vast te stellen, heeft de rechtbank het college opgedragen op dit punt een nieuw besluit op bezwaar te nemen.. Het verzoek om immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft verder aanleiding gezien het college te veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van € 1.252,50,-.

3. Hangende het hoger beroep heeft het college ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij

nader besluit van 13 maart 2018 (nader besluit) de bezwaren tegen de besluiten 2 en 3 alsnog gegrond verklaard en deze besluiten herroepen. Het college heeft, naast het eerder op de terugvordering in mindering gebrachte bedrag van € 2.587,59, de terugvordering verder verlaagd met een bedrag van € 512,28. Dit nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken.

4. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak en het nader besluit gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

5.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 augustus 2014 tot 14 februari 2015.

5.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

5.3.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, de PW wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. In de periode vóór

1 januari 2015 waren gelijkluidende bepalingen van de Wet werk en bijstand (WWB) van kracht.

5.4.

Vaststaat dat uit de relatie van appellanten op 11 april 2008 een kind is geboren en dat appellant het kind heeft erkend. Voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding is dus bepalend of appellanten in die periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

5.5.

Appellanten stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de BRP ingeschreven. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

5.6.

Appellanten hebben in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat er geen aanleiding bestond om een nader onderzoek te verrichten naar de woon- en leefsituatie van appellante, zodat de bevindingen van het buurtonderzoek, het Facebookonderzoek en de waarnemingen niet aan het bestreden ten grondslag kunnen worden gelegd.

5.7.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het college op grond van artikel 53a van de PW bevoegd een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening van de bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden en daartoe is geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. Reeds om die reden was het college bevoegd de woon- en leefsituatie van appellante nader te onderzoeken, in dit geval door het doen van buurtonderzoek, het verrichten van waarnemingen en het raadplegen van internet, waaronder de Facebookpagina’s van appellanten. Anders dan appellanten hebben betoogd, was van stelselmatige waarnemingen geen sprake. De waarnemingen hebben plaatsgevonden gedurende een betrekkelijk korte periode, op verschillende tijdstippen en zijn verricht vanaf de openbare weg zonder dat daarbij gebruik is gemaakt van technische hulpmiddelen. Deze waarnemingen maakten dan ook alleen een beperkte en in het kader van de PW aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellanten. Daarbij komt dat ook op grond van de informatie die in het kader van de door appellant ingediende bijstandsaanvraag is verkregen, wel degelijk voldoende aanleiding bestond een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De Raad doelt hier onder meer op het feit dat uit de door appellant overgelegde bankafschriften over de periode van 14 november 2014 tot en met 14 januari 2015 is gebleken dat appellant uitsluitend in Heerhugowaard pinde en daar zijn boodschappen deed.

5.8.

Verder hebben appellanten aangevoerd dat er geen redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek.

5.9.

Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan – dat wil zeggen: voor of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dat en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

5.10.

Het college had een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek. Zoals uit 5.7 blijkt, deed appellant uitsluitend in Heerhugowaard zijn boodschappen en pinde hij uitsluitend in Heerhugowaard. Tijdens de waarnemingen in de periode van 29 januari 2015 tot en met 11 februari 2015 is op meerdere dagen waargenomen dat appellant de woning van appellante verliet of dat hij in de deuropening van deze woning stond. Verder heeft appellant in het kader van zijn aanvraag op 11 februari 2015, voor aanvang van het huisbezoek, verklaard dat hij vanaf november 2014 bij zijn vriendin woont, dat hij al vier tot vijf maanden samen met haar zijn kind naar school brengt en dat hij dacht dat het samenwonen niet langer aan de gang is dan die vier tot vijf maanden. Op grond van deze bevindingen kon het college redelijkerwijs twijfelen of appellante het college wel juist had geïnformeerd over haar woon- en leefsituatie. De juistheid en de volledigheid van de door appellante verstrekte inlichtingen konden niet op een andere effectieve en voor appellante minder belastende wijze worden geverifieerd. Dit betekent dat het college een redelijke grond had voor nader onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellante in de vorm van een huisbezoek. Appellanten hebben, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2015:556, verder nog betoogd dat het college uit een oogpunt van zorgvuldigheid ook onderzoek had moeten verrichten op het adres van appellant in [gemeenteplaats]. Dit betoog treft geen doel. In het door appellanten aangehaalde arrest van de Hoge Raad gaat het, anders dan in de situatie van appellanten, om twee personen die ieder een eigen woning hadden en samen afwisselend in beide woningen verbleven.

5.11.

Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat de bevindingen van het onderzoek een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat appellanten in de te beoordelen periode gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. Daarbij dient doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de verklaringen van appellanten, die ondersteund worden door de bevindingen van het huisbezoek. Verder kan de Raad, net als de rechtbank, er niet aan voorbij gaan dat appellanten op 12 februari 2015 bijstand naar de norm voor gehuwden hebben aangevraagd en dat het college aan appellanten uiteindelijk vanaf 1 augustus 2014 bijstand naar de norm voor gehuwden heeft toegekend.

5.12.

Uit 5.1 tot en met 5.11 volgt dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres en dat appellante door hiervan geen melding te doen bij het college de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college was gelet daarop gehouden de bijstand van appellante in te trekken, omdat zij in de te beoordelen periode geen aanspraak had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Terugvordering

5.13.

Uit 5.12 volgt dat het college ook gehouden was de gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Tevens is aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de WWB en PW voldaan, zodat het college bevoegd was de ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand mede terug te vorderen van appellant.

5.15.

Appellante heeft een beroep gedaan op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie. Appellante heeft aangevoerd dat het college al in februari 2015 het signaal heeft ontvangen dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres, maar dat het college eerst in maart 2016, dus meer dan zes maanden na het signaal, tot terugvordering is overgegaan.

5.16.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952) geldt de zesmaandenjurisprudentie alleen bij een bevoegdheid tot terugvordering en niet bij een verplichte terugvordering. Omdat in dit geval een verplichte terugvordering aan de orde is, treft het beroep op de zesmaandenjurisprudentie alleen al om die reden geen doel.

5.17.

Uit 5.1. tot en met 5.16 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Het beroep tegen het nader besluit, waartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd, slaagt evenmin. Gelet hierop is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat het verzoek om het college te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt afgewezen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het verzoek van appellanten om immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatig buurtonderzoek en onrechtmatig huisbezoek. Nog daargelaten dat het college op grond van de algemene onderzoeksbevoegdheid bevoegd was buurtonderzoek te verrichten en het college een redelijke grond had voor het afleggen van een huisbezoek, hebben appellanten hun stelling dat zij in aanmerking dienen te komen voor vergoeding van immateriële schade niet onderbouwd.

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

6. Appellanten hebben ten slotte verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6.1.

De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

6.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

6.3.

In het voorliggende geval geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 2 februari 2016 tot aan de datum van deze uitspraak vijf jaar en (ruim) zes maanden zijn verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellanten zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met een jaar en ruim zes maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Aan appellanten zal daarom een schadevergoeding van € 2.000,- worden toegekend, te betalen door de Staat.

7. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 267,- voor verleende rechtsbijstand (0,5 punt voor het indienen verzoek met wegingsfactor licht). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 maart 2018 ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente en overige schade af;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellanten van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.000,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 267,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2021.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) B. Beerens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.