Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1927

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
18/5926 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft in het nadere besluit de ingangsdatum en de grondslag van de WAZ-uitkering juist vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/5926 WAZ en 19/1281 WAZ

Datum uitspraak: 4 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 oktober 2018, 18/627 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H.G. in de Braekt hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een gewijzigde beslissing op bezwaar van 25 februari 2019 (bestreden besluit 2), geregistreerd onder nummer 19/1281 WAZ, ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar echtgenoot en mr. In de Braekt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij brief van 15 april 2011 heeft appellante het Uwv verzocht om haar een uitkering

toe te kennen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Zij heeft daarbij vermeld dat zij sinds begin 2003 eigenaar is van een winkel, dat zij vóór 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt is geworden en dat zij daardoor niet meer in staat is om in haar winkel te werken. In een brief van 2 mei 2011 heeft het Uwv appellante om nadere informatie gevraagd. In 2012, 2013 en 2016 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenning van een WAZ-uitkering. Het Uwv heeft in reactie daarop verwezen naar het informatieverzoek uit 2011.

1.2.

Met een brief van 8 mei 2017 heeft appellante de door het Uwv in 2011 gevraagde

informatie verstrekt. Een arts heeft de dossiergegevens bestudeerd en geconcludeerd dat de eerste ziektedag van appellante niet vóór 1 augustus 2004 ligt. Bij besluit van 13 juni 2017 heeft het Uwv daarom geweigerd aan appellante een WAZ-uitkering toe te kennen. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen dit besluit is alsnog onderzoek gedaan door een verzekeringsarts, die de eerste ziektedag heeft vastgesteld op 1 april 2004. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend. Bij besluit van 19 oktober 2017 heeft het Uwv appellante met ingang van 8 juni 2016, zijnde één jaar voor de ontvangst van de benodigde informatie, een WAZ-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100% en de grondslag op € 50,05. Het besluit van 19 oktober 2017 is betrokken in de door appellante aanhanging gemaakte bezwaarprocedure.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 31 januari 2018 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juni 2017 gegrond verklaard. Dat besluit is ingetrokken en het besluit van 19 oktober 2017 is daarvoor in de plaats gekomen. Het bezwaar tegen het besluit van 19 oktober 2017 is eveneens gegrond verklaard. Omdat is gebleken dat het Uwv de door appellante aangeleverde informatie op 10 mei 2017 heeft ontvangen, is de ingangsdatum van de WAZ-uitkering vastgesteld op 10 mei 2016. Voor het overige heeft het Uwv het besluit van 19 oktober 2017 gehandhaafd. Er is een vergoeding van bezwaarkosten toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.1.

Over de ingangsdatum van de WAZ-uitkering heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de uitkering had moeten worden toegekend met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar. Van bijzondere omstandigheden is volgens vaste rechtspraak sprake indien de betrokkene ter zake van de verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. Dit kan onder meer het geval zijn als de betrokkene kennelijk niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen, terwijl ook geen beroep kon worden gedaan op personen uit de directe omgeving. Dit is bij appellante niet aan de orde. Hoewel het voorstelbaar is dat appellante en haar echtgenoot in de periode sinds 2004 veel aan hun hoofd hadden, is niet gebleken dat de situatie zodanig was dat het onmogelijk was om de voor het in behandeling nemen van de aanvraag benodigde stukken eerder in te dienen. Zij waren immers wel in staat om samen een onderneming te voeren, terwijl de echtgenoot ook nog in loondienst werkzaam was.

2.2.

Over de grondslag van de WAZ-uitkering heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de WAZ de grondslag is hetgeen in het boekjaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per dag aan winst is genoten. Een beroep op de hardheidsclausule van artikel 10 van het Inkomensbesluit WAZ kan appellante niet baten. In de Nota van Toelichting bij dit artikel zijn voorbeelden gegeven van situaties waarin de hardheidsclausule kan worden toegepast. Deze situaties doen zich bij appellante niet voor. De omstandigheden die appellante naar voren heeft gebracht zijn onvoldoende om te spreken van een onbillijkheid van overwegende aard. Dat geldt temeer nu bij de berekening van de grondslag – zij het abusievelijk – rekening is gehouden met het feit dat appellante haar onderneming niet op 1 januari 2003 maar op 10 februari 2003 is gestart.

3. Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het Uwv op 25 februari 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Het bezwaar van appellante is in zoverre (opnieuw) gegrond verklaard dat is beslist dat de WAZ-uitkering ingaat per 15 april 2010. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat 15 april 2011 als aanvraagdatum moet worden gehanteerd en de uitkering daarom één jaar voor deze datum ingaat. De grondslag van de WAZ-uitkering is per 15 april 2010 vastgesteld op € 46,21.

4.1.

In hoger beroep heeft appellante – ook na bestreden besluit 2 – haar standpunt dat de ingangsdatum en de grondslag van de WAZ-uitkering onjuist zijn vastgesteld, gehandhaafd. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de uitkering eerder in moet gaan dan één jaar voor de aanvraagdatum. Om sociale en medische redenen was zij niet in staat om eerder een aanvraag in te dienen. Ook haar partner kon dat niet voor haar doen, omdat hij appellante moest helpen om haar onderneming draaiende te houden terwijl hij daarnaast een fulltime baan had. De kinderen waren minderjarig en er was geen sociaal netwerk waarbinnen om hulp kon worden gevraagd. Er was ook sprake van een taalbarrière. Wat betreft de grondslag van de uitkering heeft appellante aangevoerd dat het Uwv bij de berekening daarvan ten onrechte is uitgegaan van de winst in 2003. Dit geeft geen representatief beeld, omdat de onderneming pas op 10 februari 2003 is gestart. Bovendien heeft het daarna nog enige tijd geduurd voordat de winkel was ingericht en de verkoop kon beginnen. Dit klemt te meer nu in latere jaren is gebleken dat juist in de eerste maanden van het jaar de meeste winst werd gemaakt. Daarom had volgens appellante de hardheidsclausule uit artikel 10, derde lid, van het Inkomensbesluit WAZ moet worden toegepast. In plaats van de winst in 2003, had uit moeten worden gegaan van de winst in 2004 dan wel de winst in de periode van 1 april 2003 tot en met 31 maart 2004, zijnde de twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan de eerste ziektedag.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond heeft verklaard, niet in stand kan blijven. Zowel de aangevallen uitspraak als bestreden besluit 1 zal worden vernietigd.

5.2.

Met bestreden besluit 2 is het Uwv niet volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante. Op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het hoger beroep dan ook mede betrekking op bestreden besluit 2.

De ingangsdatum van de WAZ-uitkering

5.3.

Wat betreft de ingangsdatum van de WAZ-uitkering is niet meer in geschil dat de aanvraagdatum moet worden bepaald op 15 april 2011. Alleen nog in geschil is of het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de uitkering eerder in kan gaan dan één jaar voor de dag waarop de aanvraag is ingediend.

5.4.

Die vraag wordt bevestigend beantwoord. Appellante heeft haar standpunt dat zij om medische redenen niet in staat was om eerder een aanvraag in te dienen niet onderbouwd met medische stukken. Ook de overige omstandigheden die naar voren zijn gebracht, geven geen aanknopingspunten om te oordelen dat het voor appellante onmogelijk was om, eventueel met hulp van haar echtgenoot, zich eerder dan op 15 april 2011 bij het Uwv te melden met het verzoek om een WAZ-uitkering aan haar toe te kennen.

De grondslag van de WAZ-uitkering

5.5.

Het geschil met betrekking tot de grondslag van de WAZ-uitkering betreft de vraag of het Uwv terecht geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule in artkel 10, derde lid, van het Inkomensbesluit WAZ.

5.6.

Ook die vraag wordt bevestigend beantwoord. Toepassing van de genoemde hardheidsclausule is aan de orde als een berekening van de grondslag volgens het bepaalde in artikel 8 van de WAZ, gelet op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze situatie doet zich bij appellante niet voor. De omstandigheden die appellante in dit verband heeft aangedragen hebben geen betrekking op het tijdstip waarop haar arbeidsongeschiktheid is ingetreden, maar op het moment waarop zij haar onderneming is gestart. Bovendien heeft het Uwv al rekening gehouden met het feit dat appellante haar onderneming niet op 1 januari 2003, maar op 10 februari 2003, is gestart door de in 2003 genoten winst te vermenigvuldigen met 12/10,5. In bezwaar is weliswaar geconstateerd dat deze correctie ten onrechte is uitgevoerd, maar besloten is om niet ten nadele van appellante terug te komen van de eerder vastgestelde grondslag. Dat de winst in 2004 danwel in de periode van 1 april 2003 tot en met 31 maart 2004 naar zeggen van appellante een meer representatief beeld geeft van de jaarlijks genoten winst, maakt niet dat de door het Uwv gehanteerde berekeningswijze leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het Uwv heeft de grondslag van de WAZ-uitkering daarom terecht berekend aan de hand van artikel 8 van de WAZ, waarbij op grond van het bepaalde in lid 2 onder a is uitgegaan van de winst in het boekjaar onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, zijnde 2003. De juistheid van die berekening is door appellante op zichzelf beschouwd niet bestreden.

5.7.

Uit 5.3 tot en met 5.6 volgt dat het Uwv de ingangsdatum en de grondslag van de WAZ-uitkering juist heeft vastgesteld. Dit betekent dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.496,- in beroep en op € 1.496,- in hoger beroep, in totaal € 2.992,- voor verleende rechtsbijstand. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.992,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en E. Dijt en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2021.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L. Winters