Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
18/1712 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1712 WIA

Datum uitspraak: 3 augustus 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. A. Șahin, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2018, 17/2019.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

In verband met het verzoek van verzoeker om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Șahin en zijn levensloopcoach [naam] . Namens het Uwv heeft E.C. van der Meer via videobellen aan de zitting deelgenomen.

OVERWEGINGEN

1. Het hoger beroep van verzoeker had betrekking op de weigering door het Uwv om met ingang van 11 november 2015 of 18 augustus 2016 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan hem toe te kennen. Tijdens de procedure in hoger beroep is gebleken dat het Uwv met een later besluit alsnog met terugwerkende kracht een WIA-uitkering aan verzoeker heeft toegekend. Verzoeker heeft zijn hoger beroep ter zitting ingetrokken en daarbij verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de kosten die hij voor de procedure heeft moeten maken. Daarnaast heeft verzoeker verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Zoals ter zitting is vastgesteld, bestaat geen grond om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van kosten die verzoeker voor de procedure heeft moeten maken. Het geschil betreft alleen nog de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4. Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van verzoeker op 5 oktober 2016 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaren en bijna tien maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoeker zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met bijna tien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van twee maal € 500,-, zijnde totaal € 1.000,-. Het Uwv heeft binnen een half jaar op het bezwaar beslist. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, zodat de te betalen schadevergoeding voor rekening is van de Staat.

5. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in verband met het gehonoreerde verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € 374,- (één punt met wegingsfactor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 374,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2021.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) M. Géron