Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1909

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
19/2426 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In aanmerking te nemen middelen. Belgische kinderbijslag boven de norm. Werking van de EG-Verordening. Sociale bijstand. Geen strijd met gelijkheidsbeginsel. Kinderbijslag is een vorm van gezinsbijslag, die op grond van artikel 3, onder j, in verbinding met artikel 1, onder z, van de Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 over de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Verordening) onder de materiële werkingssfeer van de Verordening valt. Appellante ontvangt daadwerkelijk Belgische kinderbijslag. De voorrangsregeling bij samenloop van gezinsbijslagen in artikel 68 van de Verordening brengt mee dat appellante op grond van de Nederlandse wetgeving - in dit geval de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) - slechts recht kan doen gelden op een aanvullende toeslag ter hoogte van het verschil tussen de Nederlandse gezinsbijslag en de Belgische kinderbijslag. Bijstand op grond van de Participatiewet is aan te merken als een vorm van sociale bijstand en valt daarom niet onder de materiele werking van de Verordening. Voor de vaststelling van het recht op bijstand zijn dan ook de bepalingen van de PW onverkort van toepassing. Belgische kinderbijslag is geen bijslag op grond van de AKW en kan daarom niet op grond van artikel 31, tweede lid onder b, van de PW buiten toepassing worden gelaten. Er is geen strijd met het gelijkheidsbeginsel. Appellante wordt niet anders behandeld dan een Nederlandse onderdaan die in Nederland woont, alleen Nederlandse kinderbijslag ontvangt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2021/224
RSV 2021/190
USZ 2021/355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2426 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

19 april 2019, 18/1430 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om schadevergoeding

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

Datum uitspraak: 3 augustus 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.M.J. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellante heeft schriftelijke vragen van de Raad beantwoord.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is een alleenstaande moeder met vier kinderen, waarvan het meerderjarige oudste kind uitwonend is en de overige drie minderjarige kinderen bij haar wonen. De vader van de twee jongste kinderen - en ex-partner van appellante - woont in België. Appellante en haar drie minderjarige kinderen staan sinds 9 oktober 2017 ingeschreven op een adres in de gemeente [gemeente] . Op 19 oktober 2017 heeft appellante zich gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Participatiewet (PW). Zij heeft bij haar daarna ingediende aanvraag opgegeven dat zij van haar ex-partner € 200,- alimentatie per maand ontvangt. Daarnaast betaalt het Acerta Kinderbijslagfonds haar voor de twee jongste kinderen de Belgische kinderbijslag waarop haar ex-partner recht heeft. Het betreft een bedrag van ongeveer € 509,- per maand. Appellante heeft verder in Nederland recht op gezinsbijslag voor haar drie minderjarige kinderen. Deze bestaat uit een deel kinderbijslag en een deel kindgebonden budget. De Sociale Verzekeringsbank vult de Belgische kinderbijslag aan tot het bedrag aan gezinsbijslag waarop in Nederland recht bestaat. Voor de twee jongste kinderen is die aanvulling nihil, omdat de Belgische kinderbijslag de Nederlandse gezinsbijslag voor die kinderen overschrijdt..

1.2.

Bij besluit van 4 januari 2018, voor zover hier van belang, heeft het college appellante met ingang van 19 oktober 2017 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Verder heeft het college besloten dat met ingang van 19 oktober 2017 de inkomsten uit kinderalimentatie in mindering zullen worden gebracht op de bijstand evenals de inkomsten uit de Belgische kinderbijslag voor zover deze de Nederlandse gezinsbijslag overschrijdt.

1.3.

Bij besluit van 24 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2018 ongegrond verklaard. Het college heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van 13 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7738, op het standpunt gesteld dat voor zover het bedrag aan buitenlandse kinderbijslag het bedrag overschrijdt dat een betrokkene in dezelfde gezinssituatie in Nederland zou krijgen, dit bedrag niet wordt vrijgelaten en als middel in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW wordt aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of het college de Belgische kinderbijslag die appellante heeft ontvangen voor twee van haar minderjarige kinderen, terecht heeft aangemerkt als middel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van PW en het meerdere aan Belgische kinderbijslag ten opzichte van het bedrag aan Nederlandse gezinsbijslag terecht in mindering heeft gebracht op de bijstand van appellante.

4.2.

Appellante stelt zich samengevat op het standpunt dat de handelwijze van het college in strijd is met Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees parlement en de Raad van

29 april 2004 over de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Verordening). Kinderbijslag valt onder de materiële werking van de Verordening. Dit brengt volgens haar mee dat het college niet de bevoegdheid heeft om een deel van de Belgische kinderbijslag in mindering te brengen op de bijstand. Deze grond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.

4.3.

Kinderbijslag is aan te merken als een vorm van gezinsbijslag, die op grond van artikel 3, onder j, in verbinding met artikel 1, onder z, van de Verordening onder de materiële werkingssfeer van de Verordening valt. Het recht op Belgische kinderbijslag staat in dit geval niet ter discussie en de Belgische kinderbijslag wordt in dit geval ook daadwerkelijk aan appellante uitbetaald. De voorrangsregeling bij samenloop van gezinsbijslagen in artikel 68 van de Verordening brengt mee dat appellante op grond van de Nederlandse wetgeving - in dit geval de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) - slechts recht kan doen gelden op een aanvullende toeslag ter hoogte van het verschil tussen de Nederlandse gezinsbijslag en de Belgische kinderbijslag.

4.4.

Artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt dat de Verordening niet van toepassing is op sociale en medische bijstand. Bijstand op grond van de Participatiewet is aan te merken als een vorm van sociale bijstand en valt daarom niet onder de materiele werking van de Verordening. Voor de vaststelling van het recht op bijstand zijn dan ook de bepalingen van de PW onverkort van toepassing.

4.5.

Artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de PW, bepaalt dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het tweede lid van dit artikel, onder b, bepaalt dat niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend, kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen.

Artikel 2, aanhef en onder b, van de PW bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de AKW.

4.6.

De Belgische kinderbijslag kan, gelet op het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder b, van de PW niet worden aangemerkt als kinderbijslag op grond van de AKW en kan daarom niet op grond van artikel 31, tweede lid, onder b, van de PW buiten toepassing worden gelaten. Vergelijk de uitspraken van 2 januari 2018 ECLI:NL:CRVB:2018:202 en de uitspraak van

13 november 2007 ECLI:NL:CRVB:2007:BB7738. Het college heeft de Belgische kinderbijslag voor zover dat het bedrag aan gezinsbijslag in Nederland overschrijdt daarom terecht in mindering gebracht op de bijstand.

4.7.

Van strijd met het in artikel 4 van de Verordening neergelegde beginsel van gelijke behandeling is geen sprake. Op grond van dit artikel hebben personen op wie de bepalingen van de Verordening van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Appellante wordt niet anders behandeld dan een Nederlandse onderdaan die in Nederland woont en die alleen aanspraak heeft op Nederlandse kinderbijslag. Het bedrag aan gezinsbijslag waarop appellant in Nederlands recht heeft, is immers niet in mindering gebracht op de bijstand.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.1.

Wat onder 4.8 is overwogen, brengt mee dat voor een veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente geen grond aanwezig is. Evenmin bestaat aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2021.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M. Zwart