Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
19/3880 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

AOW-ouderdomspensioen ten onrechte herzien naar de norm voor een gehuwde. Voldoende aannemelijk dat sprake is van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving die als bestendig is bedoeld. Geoordeeld wordt dat gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van dit geval sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in de AOW. Appellant is naar Zuid-Afrika vertrokken omdat hij niet afhankelijk wil zijn van de zorg van de echtgenote in geval hij hulpbehoevend zou worden. Zij hebben geen kinderen, hebben geen sleutel van elkaars woning, ondernemen geen gezamenlijke activiteiten, dragen ieder hun eigen kosten en presenteren zich naar buiten toe als individu. Ze betalen ieder de kosten van hun woning en dragen niet bij aan elkaars huishouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2021/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3880 AOW

19/3881 AOW

Datum uitspraak: 28 januari 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 juli 2019, 19/766 en 19/2570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (Zuid-Afrika) (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2020. Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is [in] 1995 gehuwd met [naam echtgenote] (echtgenote). Aan hem is per november 2003 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een gehuwde pensioengerechtigde. Per november 2006 is zijn echtgenote van [plaatsnaam 1] , waar zij gezamenlijk woonden, naar [plaatsnaam 2] verhuisd. Appellant is op de woonark in [plaatsnaam 1] blijven wonen. De Svb heeft naar aanleiding van de melding van deze verhuizing en de omschrijving van appellant “duurzaam gescheiden” aan appellant een ouderdomspensioen toegekend voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Hierbij is de Svb ervan uitgegaan dat bij appellant sprake was van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. In januari 2017 is appellant naar
Zuid-Afrika verhuisd. De echtgenote is hierop naar de woonark in [plaatsnaam 1] verhuisd.

1.2.

In 2018 is de Svb een onderzoek gestart naar de woon- en leefsituatie van appellant en zijn echtgenote. In dat kader heeft er op 13 september 2018 een huisbezoek plaatsgevonden in de woning van de echtgenote van appellant en is met de echtgenote gesproken. Op 13 september 2018 heeft de echtgenote van appellant het formulier “Onderzoek DGL” ingevuld en ondertekend. Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is bij besluit van 1 oktober 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 januari 2019 (bestreden besluit) het ouderdomspensioen van appellant per 1 oktober 2018 gewijzigd naar een ouderdomspensioen naar de norm voor een gehuwde. Daarbij is mede betrokken het door appellant op 24 oktober 2018 ingevulde formulier “Onderzoek woonsituatie”.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en geoordeeld dat de Svb terecht de ouderdomspensioen heeft gewijzigd naar de norm van een gehuwde omdat geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Volgens de rechtbank blijkt niet ondubbelzinnig dat sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Hierbij heeft de rechtbank de financiële verbondenheid tussen appellant en zijn vrouw doorslaggevend geacht. Deze financiële band bestaat niet alleen uit het gezamenlijke eigendom van de woonark, maar ook uit een langstlevende testament. Hieruit blijkt van financiële zorg voor elkaar. Daarnaast is er een en/of-rekening om de onderhoudskosten van de woonark te kunnen delen. Het door de echtgenote van appellant opnemen van bedragen van die rekening heeft de rechtbank als niet zakelijk aangemerkt.

3. Appellant is het niet eens met het oordeel van de rechtbank, omdat hij meent dat wel sprake is van duurzaam gescheiden leven. De rechtbank heeft ten onrechte betekenis toegekend aan de financiële band die nog tussen appellant en zijn echtgenote zou bestaan. Daarbij is benadrukt dat appellant en zijn echtgenote zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en dat het langstlevende testament geen aanvullende waarde heeft boven de wettelijke regeling. Appellant en zijn echtgenote zijn met betrekking tot het onderhoud van de woonark een zakelijke regeling aangegaan, waarvoor een en/of-rekening werd gebruikt. Deze rekening is inmiddels opgeheven. De contacten die appellant en zijn echtgenote nog hadden, betroffen alleen afspraken over het onderhoud van de woonark. Van een samenleven als man en vrouw, zoals naar voren komt in de rechtspraak van de Raad, is volgens appellant geen sprake. Er zijn geen kinderen, geen gezamenlijke activiteiten en appellant en zijn echtgenote presenteren zich niet als stel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor zijn vaste rechtspraak over het begrip duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 19 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3017, ECLI:NL:CRVB:2019:3018 en ECLI:NL:CRVB:2019:3019. Volgens deze rechtspraak is bij gehuwden van duurzaam gescheiden leven pas sprake als na de door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander is gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Daarbij zijn de feitelijke omstandigheden bepalend voor de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven. Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om een duurzaam gescheiden leven aan te nemen. De echtelijke samenleving kan bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet meer of niet opnieuw is verbroken, zijn niet relevant voor de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven.

4.2.

Voldoende aannemelijk is dat sprake is van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving die als bestendig is bedoeld. Geoordeeld wordt dat gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van dit geval sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in de AOW.

4.3.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellant en zijn echtgenote sinds 2006 ieder hun eigen woning hebben aanvankelijk in [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 1] en sinds 2017 in Zuid-Afrika en [plaatsnaam 1] . In geding is de periode vanaf 1 oktober 2018. In die periode leidt ieder zijn leven, als ware hij niet met de ander gehuwd. Appellant is naar Zuid-Afrika vertrokken omdat hij niet afhankelijk wil zijn van de zorg van de echtgenote in geval hij hulpbehoevend zou worden. Zij hebben geen kinderen, hebben geen sleutel van elkaars woning, ondernemen geen gezamenlijke activiteiten, dragen ieder hun eigen kosten en presenteren zich naar buiten toe als individu. Ze betalen ieder de kosten van hun woning en dragen niet bij aan elkaars huishouden. Tussen appellant en zijn echtgenote bestond enkel een financiële band en deze bestond door het gezamenlijk bezit van de woonark. Die band is noodgedwongen voortgezet omdat geen van de twee de middelen heeft om de ander uit te kopen. De echtgenote van appellant werd door het plotselinge vertrek van appellant naar Zuid-Afrika geconfronteerd met de kosten van het achterstallig onderhoud van de woonark, waar zij na zijn vertrek weer is gaan wonen. Zij kon die niet volledig zelf dragen. Appellant en de echtgenote hebben een zakelijke regeling afgesproken met betrekking tot de kosten van het achterstallige onderhoud van de woonark. Hiervoor is de bankrekening van appellant omgezet in een en/of-rekening, waarvan de echtgenote geld heeft opgenomen ten behoeve van het achterstallige onderhoud. Nadat het onderhoud was verricht is het en/of karakter van de rekening opgeheven. Zij hebben contact hierover gehad per mail. Verder wordt van belang geacht dat ter zitting is toegelicht dat er geen kinderen zijn en dat het langstlevende testament daardoor geen toegevoegde waarde heeft boven de wettelijke regeling. Op grond van al deze gegevens moet geconcludeerd worden dat appellant ten tijde in geding duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. Er is immers sprake van een door hen beiden gewilde verbreking van de echtelijke samenleving en zij leiden sindsdien ieder een eigen leven alsof zij niet gehuwd zijn met de ander terwijl deze toestand als bestendig is bedoeld. Dat appellant eenmalig ter ere van zijn tachtigste verjaardag in november 2018 in Zuid-Afrika is bezocht door zijn echtgenote doet daar niet aan af.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat de hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet. Ook bestaat aanleiding het besluit van 1 oktober 2018 te herroepen aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit.

5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- in beroep en op € 1.068,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 januari 2019;

  • -

    herroept het besluit van 1 oktober 2018 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 17 januari 2019;

  • -

    veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.136,-;

  • -

    bepaalt dat het bestuur aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 175,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2021.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) B.H.B. Verheul

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.