Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1744

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
19-07-2021
Zaaknummer
20/238 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbel hoger beroep en tevens verzoek om voorlopige voorziening. Uitspraak in bodemzaak. Intrekken en terugvorderen bijstand. Afwijzing meerdere aanvragen. Buiten behandeling gestelde aanvraag. Niet melden van inkomsten uit fokken en verkopen van raskatten. Recht ten onrechte niet schattenderwijs vastgesteld. Afschriften van bankrekening zoon niet overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/155
USZ 2021/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 238 PW, 21/1150 PW, 21/1151 PW, 21/1227 PW, 21/1228 PW, 21/1362 PW-VV,

21/1363 PW-VV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 december 2019, 19/348 (aangevallen uitspraak 1) en uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 maart 2021, 19/2654, 20/211 en 20/1951 (aangevallen uitspraak 2) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 20 april 2021

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

Datum uitspraak: 29 juni 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. I. Wudka, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad hebben appellanten nadere stukken ingezonden en vragen beantwoord.

Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Namens appellanten heeft mr. Wudka hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2 en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 en op het verzoek om een voorlopige voorziening heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 1 juni 2021. Het lid van de enkelvoudige kamer is ook opgetreden als voorzieningenrechter. Beiden worden hierna aangeduid met “Raad”. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wudka en [A.], de zoon van appellante (zoon). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.M. Piters, mr. G.H.F.M. Erkens-Ploemen en D.A. Rantong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 15 juni 2017 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante dure raskatten verkoopt, heeft de sociale recherche van de gemeente Kerkrade (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, internetonderzoek verricht, gegevens opgevraagd bij dierenwinkels, dierenartsen en Marktplaats.nl en bankafschriften van appellanten opgevraagd. Op 10 april 2018 heeft een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden. Aansluitend op het huisbezoek heeft een rechtmatigheidsgesprek plaatsgevonden met appellante en de zoon als gemachtigde van appellant. Tijdens dat gesprek heeft de sociale recherche appellanten in de gelegenheid gesteld om door middel van een objectief en verifieerbare boekhouding aan te tonen welke inkomsten zij hebben gehad. Appellanten hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Op 19 april 2018 heeft opnieuw een gehoor plaatsgevonden met appellante en de zoon. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 juni 2018.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 juni 2018 (besluit 1) de bijstand van appellanten met ingang van 15 juni 2017 in te trekken en de over de periode van 15 juni 2017 tot en met 1 juni 2018 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.106,98 terug te vorderen. Dit betreft een bedrag over 2017 van € 9.204,65 netto en € 10.373,38 bruto en € 7.086,60 netto over 2018.

1.4.

Bij besluit van 2 juli 2018 (besluit 2) heeft het college de aanvraag van appellanten van 22 januari 2018 om bijzondere bijstand voor dieetkosten over de jaren 2017 en 2018 afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 19 december 2018 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden omdat zij inkomsten hebben gehad die zij niet hebben gemeld. De in bezwaar door appellanten ingediende boekhouding is niet objectief en verifieerbaar en appellanten hebben geen afdoende verklaring kunnen geven voor de discrepantie tussen hun inkomsten en uitgaven. Daardoor is de financiële situatie van appellanten onduidelijk gebleven zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Ook de aanvraag om bijzondere bijstand voor dieetkosten moet, gelet op het ontbreken van duidelijkheid over de financiële situatie, worden afgewezen.

1.6.

Op 27 november 2018 hebben appellanten zich gemeld bij het college om opnieuw bijstand aan te vragen op grond van de PW. Op 14 januari 2019 hebben zij de aanvraag ingediend. Bij besluit van 1 maart 2019 (besluit 3), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2019 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen en een voorschot van € 300,- teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten niet hebben aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds het besluit van 21 juni 2018. De financiële situatie is onduidelijk gebleven. Appellanten hebben deze onduidelijkheden niet weg kunnen nemen.

1.7.

Appellanten hebben zich op 7 maart 2019 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de PW. Op 11 april 2019 hebben zij de aanvraag ingediend. Daarnaast hebben appellanten op 8 april 2019 en 18 april 2019 bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand aangevraagd. Bij besluit van 28 mei 2019 (besluit 4) heeft het college de aanvragen afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten niet hebben aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds het besluit van 1 maart 2019.

1.8.

Op 17 juni 2019 hebben appellanten bijzondere bijstand voor dieetkosten over het jaar 2019 aangevraagd. Bij besluit van 28 juni 2019 (besluit 5) heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten niet hebben aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds het besluit van 28 mei 2019.

1.9.

Bij besluit van 18 december 2019 (bestreden besluit 3) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 4 en 5 ongegrond verklaard.

1.10.

Appellanten hebben zich op 2 oktober 2019 opnieuw gemeld om bijstand op grond van de PW aan te vragen. Op 28 oktober 2019 hebben zij de aanvraag ingediend. Bij besluit van 17 december 2019 (besluit 6), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 juli 2020 (bestreden besluit 4), heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld. Aan de besluitvorming lig ten grondslag dat appellanten geen afschriften van de bankrekening van de zoon hebben overgelegd. Appellanten waren vanwege een stage van de zoon in het buitenland gemachtigd voor zijn bankrekening.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 4 gegrond verklaard en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, voor zover van belang, dat de gevraagde bankafschriften van de bankrekening van de zoon niet noodzakelijk waren voor de vaststelling van het recht op bijstand. Appellanten hebben op 13 november 2019 aangetoond dat via hun account de bankgegevens van hun zoon niet meer toegankelijk zijn en hebben nadien een schriftelijke verklaring overgelegd, gedateerd 8 december 2019, waarin zij verklaren geen toegang te hebben gehad tot de bankrekening van hun kinderen. De zoon heeft ter zitting bevestigd dat het een machtiging betrof en nooit sprake is geweest van een en/of rekening. De zoon heeft verklaard na terugkomst van zijn stage, nooit meer aan de machtiging te hebben gedacht. Het college mocht de aanvraag van appellanten niet onvolledig achten vanwege het ontbreken van de afschriften van de bankrekening van de zoon van appellanten.

3.1.

In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het hoger beroep van appellanten tegen aangevallen uitspraak 2 ziet op de ongegrondverklaring van het beroep tegen de bestreden besluiten 2 en 3. Appellanten hebben verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij met ingang van 2 oktober 2019 voorschotten ontvangen totdat op de aanvraag van 28 oktober 2019 is beslist.

3.2.

In hoger beroep heeft het college zich op de hierna te bespreken gronden tegen aangevallen uitspraak 2 gekeerd voor zover de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 4 gegrond heeft verklaard en opdracht heeft gegeven opnieuw te beslissen op bezwaar.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De Raad is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak in de hoger beroepen tegen aangevallen uitspraak 2.

Intrekking en terugvordering (aangevallen uitspraak 1)

4.4.

De te beoordelen periode loopt van 15 juni 2017 tot en met 21 juni 2018.

4.5.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.6.

Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode geld heeft ontvangen in verband met het fokken en verkopen van raskatten (kattenfokkerij), die zij niet heeft gemeld bij het college. Appellanten hebben daarmee de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.7.

Schending van de inlichtingenverplichting is een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. De betrokkene moet dan aannemelijk maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over die periode recht op volledige of aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.8.

Als na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie verplicht om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. Vergelijk de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.

4.9.

Appellanten hebben, samengevat, aangevoerd dat het recht op bijstand schattenderwijs kan worden vastgesteld.

4.10.

Deze beroepsgrond slaagt. Het college kan in het licht van de in hoger beroep naar aanleiding van vragen van de Raad nader overgelegde stukken niet volhouden dat het recht op bijstand van appellanten over de gehele te beoordelen periode ook niet schattenderwijs is vast te stellen in verband met inkomsten uit het fokken en verkopen van raskatten. Daartoe is het volgende van belang.

4.10.1.

In bezwaar heeft appellante overgelegd een ‘Overzicht inkomsten en kosten cattery’ (overzicht) over de periode 1 juni 2017 tot en met 30 juni 2018, opgesteld door een administratiekantoor. In hoger beroep heeft appellante de bonnen, facturen en bankafschriften van haar en haar zoon overgelegd waarop dit overzicht is gebaseerd. In het overzicht is een totaal aan kosten opgevoerd van € 7.680,57, waarvan € 3.753,42 aan kosten van dierenartsen, medicijnen en documentatie, en € 3.305,63 aan kosten van dierenvoedsel en -benodigdheden. Aan inkomsten is opgenomen een bedrag van € 6.350,00. Volgens dit overzicht is bijna 60% van de inkomsten aan appellante en ongeveer 40% aan de zoon toegerekend. De kosten zijn ongeveer gelijkelijk toegerekend aan appellante en de zoon.

4.10.2.

Met dit overzicht kan, anders dan appellanten stellen, het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet precies worden vastgesteld. Ten eerste hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de kattenfokkerij voor rekening van appellante en haar zoon samen werd gevoerd. Wel is duidelijk dat de zoon, een zelfstandig ondernemer, activiteiten verricht voor de kattenfokkerij. Het is niet duidelijk hoe de rolverdeling tussen appellante en de zoon exact was. Ook is niet duidelijk geworden wie welke uitgaven heeft gedaan. Daarbij komt dat vrijwel alle facturen zijn gesteld op naam van appellante. Ook de contactgegevens op de website van de kattenfokkerij leiden naar appellante. De resterende onzekerheden over de rolverdeling en toerekening mogen voor appellante gelaten worden, zodat voor de schatting van het recht op bijstand ervan kan worden uitgegaan dat de kattenfokkerij alleen door appellante werd gedreven.

4.10.3.

Ten tweede bestaat geen volledige duidelijkheid over contante betalingen en ontvangsten in verband met de kattenfokkerij. In het overzicht zijn veertien boekingen opgenomen van inkomsten in verband met verkoop van kittens onder negen verschillende kattennamen. Het ontvangen bedrag per kitten ligt tussen de € 750,- en € 800,-, deels op rekening en deels in contanten ontvangen. Appellante heeft op 19 april 2018 verklaard dat zij in de periode van juli 2017 tot en met december 2017 voor een bedrag van in totaal € 4.750,- aan kittens heeft verkocht. In het overzicht is over deze periode slechts een bedrag van € 2.300,- aan inkomsten geboekt. Daarbij komt dat bij het onderzoek van de bankafschriften van appellanten in de te beoordelen periode is vastgesteld dat appellanten aanzienlijk minder uitgaven hadden aan kosten van levensonderhoud dan verwacht mocht worden. Er is ook geen kasboek van de kattenfokkerij bijgehouden. Dit betekent dat bij de schatting van het resterende recht op bijstand in de te beoordelen periode voor de inkomsten van de kattenfokkerij van een hoger bedrag moet worden uitgegaan dan in het overzicht is opgenomen.

4.10.4.

In de te beoordelen periode hebben appellanten netto aan bijstand ontvangen een bedrag van € 16.291,25. Gelet op het aantal keren dat op Martkplaats.nl kittens werden aangeboden waaronder herhalingen, de verklaringen van appellante en de zoon over het aantal nestjes en geboren kittens, de facturen van de dierenartsen in verband met zwangerschap van moederkatten en geboren kittens en de bij het huisbezoek aantal aangetroffen katten en katers, rekening houdend met de prijs van de kittens, de draagtijd, het aantal kittens per nest en de uitval van kittens door overlijden of geboorteafwijkingen en de prijs van de kittens, is niet aannemelijk dat appellante in verband met de kattenfokkerij meer geld heeft ontvangen dan appellanten netto aan bijstand hebben ontvangen.

4.10.5.

Met partijen is ter zitting besproken welke beslissing de Raad zou moeten nemen indien hij tot de in 4.10.4 vermelde conclusie zou komen. Het college heeft voor dat geval gevraagd dat de Raad het college niet zou opdragen een nieuw besluit te nemen met een nadere schatting van het recht op bijstand, maar dat de Raad zelf in de zaak zou voorzien. Gelet op dat verzoek, wat in deze zaak wel bekend is en het belang van definitieve geschillenbeslechting zal de Raad daartoe in deze bijzondere situatie van samenhangende procedures overgaan.

4.10.6.

De in 4.10.4 in aanmerking genomen gegevens en het in 4.10.1 genoemde overzicht laten samen slechts een ruwe schatting van het resterende recht op bijstand toe. Daarbij zal de door de aard van de schatting grotere resterende onzekerheid voor rekening van appellanten worden gelaten. Daartoe wordt ervan uitgegaan dat appellante in alle redelijkheid niet meer dan circa € 11.000,- kan hebben ontvangen in verband met de kattenfokkerij, uitgaande van maximaal vier nestjes. Gelet op de toegepaste brutering over 2017, moet de terugvordering daarom beperkt worden tot een bedrag van € 11.500,-, waarvan € 7.000,- bruto over 2017 en € 4.500,- netto over 2018. Dit betekent dat het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet wordt ingetrokken maar herzien. Over de periode vanaf 21 juni 2018 ontbreken voldoende gegevens om het recht op bijstand te kunnen vaststellen, ook niet met een ruwe schatting. Gelet op wat hierna wordt overwogen over de opvolgende aanvraag, de daar te beoordelen periode en de omstandigheid dat de kattenfokkerij in bedrijf is gebleven, bestaat wel voldoende grondslag voor intrekking van de bijstand met ingang van 21 juni 2018 op de grond dat het recht op bijstand door schending van de inlichtingenverplichting niet langer is vast te stellen.

4.11.

Uit 4.10 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt en dat aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren, bestreden besluit 1 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen en besluit 1 herroepen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode wordt herzien en dat de terugvordering wordt verlaagd naar € 11.500,- bruto en dat het recht op bijstand wordt ingetrokken met ingang van 21 juni 2018. Omdat aan besluit 2 hetzelfde gebrek kleeft zal de Raad het college opdracht geven om opnieuw te beslissen op bezwaar tegen besluit 2. De Raad kan hier bij gebrek aan gegevens niet zelf voorzien. Het college zal de aanvraag om bijzondere bijstand voor dieetkosten over de jaren 2017 en 2018 opnieuw moeten beoordelen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op voortvarende en definitieve geschillenbeslechting zal worden bepaald dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld.

Afwijzing aanvragen van 14 januari 2019, 8 april 2019, 11 april 2019, 18 april 2019 en 17 juni 2019 (hoger beroep van appellanten tegen aangevallen uitspraak 2)

4.12.

De te beoordelen perioden lopen van 27 november 2018 tot en met 1 maart 2019 (bestreden besluit 2) en van 7 maart 2019 tot en met 28 mei 2019 (bestreden besluit 3).

4.13.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Ook ten aanzien van besluiten tot afwijzing van een aanvraag om bijstand na een eerdere intrekking van de bijstand heeft dit gewijzigde toetsingskader gevolgen (uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:365). Nu het college in het bestreden besluit de beoordeling van de aanvraag heeft beperkt tot de vraag of appellanten hebben aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat zij over de te beoordelen periode wel voldoen aan de voorwaarden voor het recht op bijstand, wordt de beoordeling van de Raad ook daartoe beperkt.

4.14.

Appellanten hebben niet aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat zij in de hier te beoordelen perioden wel voldeden aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Zij hebben niet met objectief en verifieerbaar bewijs onderbouwd hoe zij in de genoemde perioden in het levensonderhoud hebben voorzien. In het bijzonder is van belang dat de kattenfokkerij in de te beoordelen perioden nog in bedrijf was. Appellanten hebben onder verwijzing naar een notariële akte betoogt dat de kattenfokkerij geheel is overgedragen aan de zoon, en dat daarmee een beslissende verandering tot stand is gekomen, en dat het recht op bijstand van appellanten dus wel kan worden vastgesteld omdat appellanten geen bemoeienis meer hebben met de kattenfokkerij. Dit betoog kan echter niet slagen. Vastgesteld is dat op de bankafschriften nog steeds veel lagere kosten van levensonderhoud blijken dan verwacht mag worden, terwijl uit opvraag van gegevens bij de organisaties van raskatten blijkt dat appellante nog steeds katten op haar naam heeft staan. Daarmee is niet aangetoond, dat een wijziging van omstandigheden bestaat, waardoor nu wel het recht op bijstand kan worden vastgesteld. Over deze perioden bestaan ook geen gegevens aan de hand waarvan een schatting van het recht op bijstand kan worden gemaakt. Dit betekent dat ook het recht op bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld. Hieruit volgt dat het hoger beroep van appellanten tegen aangevallen uitspraak 2 voor zover het bestreden besluit 2 en 3 betreft niet slaagt.

Buitenbehandelingstelling aanvraag van 28 oktober 2019 (hoger beroep van het college tegen aangevallen uitspraak 2)

4.15.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.16.

Het college heeft, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in de aangevallen uitspraak heeft overwogen dat de afschriften van de bankrekening van de zoon niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.17.

Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 6 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1828) rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van de middelen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Deze jurisprudentie is niet zonder meer van toepassing op een situatie, waarin de bankrekening niet op naam staat van de bijstandsgerechtigde, maar dat deze (slechts) gemachtigde is. In een dergelijke situatie moet uit bijkomende feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden dat de bijstandsgerechtigde in de te beoordelen periode inderdaad beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de tegoeden op de betrokken bankrekening. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is dit onvoldoende aannemelijk geworden. Het dossier biedt geen aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat appellanten geld opnamen of betalingen verrichtten vanaf deze bankrekening. Het college had wel een bijzondere verplichting kunnen opleggen, namelijk het opheffen van de machtiging. Hieruit volgt dat het college de aanvraag niet onvolledig mocht achten vanwege het ontbreken van de bankafschriften. Hieruit volgt dat het hoger beroep van het college tegen aangevallen uitspraak 2 ook niet slaagt.

4.18.

Met partijen is ter zitting besproken welke beslissing de Raad zou moeten nemen indien hij tot de conclusie zou komen dat de hoger beroepen tegen aangevallen uitspraak 2 niet slagen. In het bijzonder is besproken dat het college dan het recht op bijstand op de aanvraag van 28 oktober 2019 moet gaan beoordelen. Het college heeft verklaard dat indien de buitenbehandelingstelling geen stand zou houden gelet op tijdsverloop en overigens ervan moet worden uitgegaan dat appellanten recht op bijstand hebben. Gelet hierop kan de Raad met het oog op definitieve geschillenbeslechting en anders dan de rechtbank heeft beslist, zelf in de zaak voorzien door besluit 6 te herroepen en te bepalen dat aan appellanten met ingang van 28 oktober 2019 bijstand wordt toegekend. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen. Aangenomen wordt immers dat het college onmiddellijk uitvoering geeft aan deze beslissing. Dit laat onverlet dat het college bij bepalen van de omvang van het recht op bijstand over de periode sinds de aanvraag en dus van de nabetaling kan zien op gebleken inkomsten van appellanten.

4.19.

Uit 4.18 volgt dat aangevallen uitspraak 2 moet worden vernietigd slechts voor zover de opdracht is gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2019 te nemen. Voor het overige zijn de hoger beroepen tegen aangevallen uitspraak 2 ongegrond en dient die uitspraak te worden bevestigd.

Proceskosten

5.1.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in de zaak onder nummer 20/238 PW over aangevallen uitspraak 1. Nu de doorslaggevende gegevens in deze zaak eerst na vragen van de Raad in hoger beroep zijn overgelegd, bestaat aanleiding om vergoeding van de kosten te beperken tot de daarna gemaakte kosten. Deze kosten worden begroot op 1 punt in hoger beroep voor de zitting, een bedrag van € 534,- voor verleende rechtsbijstand.

5.2.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in de zaak onder de overige nummers over aangevallen uitspraak 2. Deze kosten worden begroot op 3 punten in hoger beroep voor het verweerschrift, de zitting en het verzoek om een voorlopige voorziening, in totaal tot een bedrag van € 1.602,- voor verleende rechtsbijstand. Daarbij is in overweging genomen dat het verzoek om een voorlopige voorziening, gelet op de uitkomst van het hoger beroep van het college tegen aangevallen uitspraak 2, niet ten onrechte is gedaan.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep in de zaak onder nummer 20/238 PW

  • -

    vernietigt aangevallen uitspraak 1;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept besluit 1 en bepaalt dat de bijstand over de periode van 15 juni 2017 tot 21 juni 2018 wordt herzien en met ingang van 21 juni 2018 wordt ingetrokken en stelt de terugvordering vast op een bedrag van € 11.500,- bruto;

  • -

    bepaalt dat het college een nieuwe beslissing neemt op bezwaar tegen besluit 2 en bepaalt dat tegen dit besluit beroep slechts beroep kan worden ingesteld bij de Raad;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 534,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 131,- vergoedt.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep in de zaken onder de overige nummers

  • -

    vernietigt aangevallen uitspraak 2 voor zover daarbij de opdracht is gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2019 te nemen;

  • -

    bepaalt dat aan appellanten met ingang van 28 oktober 2019 bijstand wordt toegekend naar de norm voor gehuwden;

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor het overige;

  • -

    wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.602,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht voor het verzoek om een voorlopige voorziening van in totaal € 134,- vergoedt;

  • -

    bepaalt dat van het college het griffierecht in hoger beroep tot een bedrag van € 541,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2021.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen