Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:171

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
18/4780 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Appellant is [in] 2015 in het huwelijk getreden en heeft het huwelijk gemeld en laten inschrijven bij de BRP. De Svb dient bij de uitvoering van de ANW gebruikt te maken van authentieke gegevens in de BRP. Dit lijdt uitzondering in de in het tweede lid van artikel 1.7 van de Wet BRP genoemde gevallen. Voor appellant bestond een mogelijkheid te verzoeken de in de BRP opgenomen gegevens aan te passen. Daartoe kan een verzoek worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders, zoals appellant ook - tevergeefs - heeft gedaan. De door de rechtbank en de Raad van State beoordeelde gronden met betrekking tot de rechtsgeldigheid van een Pakistaans huwelijk komen overeen met de in deze procedure aangevoerde gronden. Dit betekent dat appellant niet wordt gevolgd in zijn stelling dat voor de toepassing van de ANW geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Het hoger beroep kan niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/122
NJB 2021/520
USZ 2021/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4780 ANW

Datum uitspraak: 28 januari 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 juli 2018, 18/2234 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2020. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend. Appellant is [in] 2015 in Pakistan gehuwd. Op 23 maart 2017 heeft de Svb bericht van het huwelijk ontvangen van de Basisregistratie personen (BRP), nadat appellant het huwelijk bij de gemeente heeft gemeld.

1.2.

Bij besluit van 7 april 2017 (besluit 1) heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellant beëindigd met ingang van mei 2015 en een onverschuldigd betaald bedrag van € 27.835,39 over het tijdvak van mei 2015 tot en met maart 2017 teruggevorderd. Hieraan ten grondslag ligt dat appellant door het huwelijk niet langer aan de voorwaarden van de nabestaandenuitkering voldoet.

1.3.

Bij besluit van 9 mei 2017 (besluit 2) heeft de Svb aan appellant een boete opgelegd.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 23 februari 2018 is het bezwaar tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daarbij is de boete op nihil gesteld en is vastgesteld dat appellant geen aflossingscapaciteit heeft.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de Svb mag uitgaan van de gegevens zoals vermeld in de BRP en dat appellant [in] 2015 een rechtsgeldig huwelijk heeft gesloten. Nu appellant dit huwelijk niet bij de Svb heeft gemeld, heeft hij de inlichtingenplicht van artikel 35 van de ANW geschonden. Als gevolg hiervan heeft appellant van mei 2015 tot en met maart 2017 ten onrechte een nabestaandenuitkering ontvangen. De Svb heeft daarom terecht de nabestaandenuitkering van appellant ingetrokken en teruggevorderd. In verband met schending van de inlichtingenplicht is terecht een boete opgelegd.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk en dat de Svb daarom ten onrechte de nabestaandenuitkering heeft herzien en teruggevorderd en ten onrechte een boete heeft opgelegd. Voor een naar Pakistaans recht rechtsgeldig huwelijk is onder andere vereist dat er een huwelijkscontract is, dat het huwelijk wordt ingeschreven bij een Pakistaanse rechtbank, dat er een bruidsschat afgesproken is en dat er getuigen zijn. Eiser verwijst hiertoe naar literatuur aangaande het huwelijksrecht van en voor moslims in Pakistan (Bergmann/Ferid/Henrich, Internationales Ehe- und Kindschaftsrecht, editie september 2003, pagina 38 en 39). Van dit alles is geen bewijs en daarom is niet voldaan aan artikel 2.8 en 2.9 van de Wet BRP.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Naar aanleiding van het hoger beroep overweegt hij het volgende.

4.2.

In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de ANW is bepaald dat de nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. In het tweede lid van artikel 16 van de ANW is neergelegd dat in het geval dat deze omstandigheden zich voordoen, de uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de volgende maand.

4.3.

Appellant is [in] 2015 in het huwelijk getreden en heeft het huwelijk gemeld en laten inschrijven bij de BRP. Naar aanleiding van de stelling van appellant dat geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk wordt het volgende overwogen.

4.4.

Een huwelijk en de datum van huwelijkssluiting zijn authentieke gegevens als bedoeld in artikel 1.6 van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP), in samenhang met artikel 2 van het Besluit registratie personen en de tabel die als bijlage 1 bij dat besluit is gevoegd.

4.5.

Artikel 1.7, eerste lid, van de Wet BRP bepaalt dat een bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft, die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, voor die informatie dat gegeven gebruikt. Dit betekent dat de Svb bij de uitvoering van de ANW gebruikt dient te maken van authentieke gegevens in de BRP.

4.6.

Dit lijdt uitzondering in de in het tweede lid van artikel 1.7 van de Wet BRP genoemde gevallen. Zo volgt uit sub a dat bij het gegeven een aantekening als bedoeld in artikel 2.26 of 2.76 kan worden geplaatst, waardoor de hoofdregel van het eerste lid niet van toepassing is. Het betreft situaties waarin onder andere sprake is van een beslissing of vaststelling dat een opgenomen algemeen gegeven onjuist is of, indien het een gegeven over de burgerlijke staat betreft, in strijd is met de Nederlandse openbare orde of omtrent een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid. Uit sub b van dat artikellid, in samenhang gelezen met art 2.34, eerste lid, van de Wet BRP, volgt dat indien de Svb in verband met de verstrekking van een authentiek gegeven uit de basisregistratie gerede twijfel heeft over de juistheid van die gegevens, de Svb hiervan mededeling doet aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente. Uit sub d volgt, tot slot, dat het eerste lid van artikel 1.7 van de Wet BRP niet van toepassing is indien een goede vervulling van de taak van het bestuursorgaan door onverkorte toepassing van het eerste lid wordt belet. Hieruit blijkt dat er diverse gronden zijn om af te wijken van de hoofdregel van het eerste lid van artikel 1.7 van de Wet BRP.

4.7.

Voor appellant bestond een mogelijkheid te verzoeken de in de BRP opgenomen gegevens aan te passen. Voor een ingeschrevene bestaat, op grond van artikel 2.58 van de Wet BRP, recht op rectificatie van de gegevens over onder meer de burgerlijke staat zoals opgenomen in de BRP. Daartoe kan een verzoek worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders, zoals appellant ook - tevergeefs - heeft gedaan. Los hiervan bestaat ook de mogelijkheid om de buitenlandse akte of de buitenlandse registratie aan te vechten of te laten corrigeren in het land waar de akte is opgemaakt, om dit vervolgens bij de BRP te melden.

4.8.

De Raad is op grond van vorenstaande van oordeel dat de Svb terecht is afgegaan op de registratie van het huwelijk in de BRP. Er bestaat geen aanleiding om van de hoofdregel van artikel 1.7 van de BRP af te wijken. Hierbij wordt opgemerkt dat appellant, zoals gezegd, gebruik heeft gemaakt van het recht als bedoeld in artikel 2.58 van de Wet BRP om te verzoeken om rectificatie van de gegevens over zijn huwelijk zoals die zijn opgenomen in de BRP. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3710 de gemeente en de rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2019:193) gevolgd in de afwijzing van dit verzoek. De door de rechtbank en de Raad van State beoordeelde gronden met betrekking tot de rechtsgeldigheid van een Pakistaans huwelijk komen overeen met de in deze procedure aangevoerde gronden.

4.9.

Dit betekent dat appellant niet wordt gevolgd in zijn stelling dat voor de toepassing van de ANW geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. De Svb heeft terecht aangenomen dat appellant [in] 2015 in het huwelijk is getreden en daarom per mei 2015 geen recht meer had op een nabestaandenuitkering. Voor het overige heeft appellant geen gronden aangevoerd tegen de herziening, terugvordering en boete.

4.10.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2021.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) B.H.B. Verheul