Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:165

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
05-02-2021
Zaaknummer
19/2011 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft aangevoerd dat het door de rechtbank als hoofdregel aangemerkte artikel 24b, derde lid, aanhef en onder a, van het AMAR ondergeschikt is aan de hoofdregel van artikel 24, vierde lid, van het AMAR. Deze beroepsgrond slaagt niet. In het geval van appellant doet zich de specifieke uitzondering voor van artikel 24b, derde lid, aanhef en onder a, van het AMAR, waaruit volgt dat een bevordering tot eerste luitenant plaatsvindt wanneer de effectieve rang van tweede luitenant gedurende twee jaren is uitgeoefend. Appellant heeft gesteld dat uit het bepaalde in artikel 3:11, zesde lid, aanhef en onder b, van de URAMAR volgt dat het ervaringsvereiste niet op hem van toepassing is en heeft er hierbij op gewezen dat uit de functiebeschrijving en de gegevens uit de vacaturebank blijkt dat eerste luitenant de rang is die bij zijn functie behoort. De Raad ziet hierin geen grond voor de conclusie dat het ervaringsvereiste niet op appellant van toepassing is. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351, is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat de belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant hierin niet is geslaagd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2011 MAW

Datum uitspraak: 28 januari 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 april 2019, 18/3051 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Kroon, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. Koolmees hoger beroep ingesteld.

De Kroon heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koolmees. De Kroon heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [naam functie 1] bij de Koninklijke landmacht. Bij besluit van 28 november 2016 heeft de Minister van Defensie (de minister) met ingang van 19 december 2016 aan appellant de functie van [naam functie 2] toegewezen en hem aangewezen voor het volgen van de Specifieke Officiersopleiding (SOO). Hierbij is vermeld dat appellant na het met succes voltooien van deze opleiding zal worden voorgedragen om te worden benoemd tot [naam functie 3] in de rang van tweede luitenant en zal zijn voorbestemd voor plaatsing op de functie van [naam functie 4] ). Aan appellant is tijdens de opleiding tijdelijk de rang van vaandrig toegekend.

1.2.

Bij besluit van 24 juli 2017 heeft de minister met toepassing van artikel 17 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) aan appellant met ingang van 23 juni 2017 de functie van [naam functie 5] toegewezen. Daarbij is medegedeeld dat aan deze functie een hogere rang is verbonden dan appellant op dat moment bekleedde, zodat hij is voorgedragen voor bevordering met ingang van 23 juni 2017.

1.3.

Bij Koninklijk Besluit van 22 augustus 2017 is appellant met ingang van 23 juni 2017 bevorderd tot tweede luitenant . Bij besluit van 21 maart 2018 (bestreden besluit) is het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de hoofdregel zoals neergelegd in artikel 24b, derde lid, aanhef en onder a, van het AMAR bepaalt dat de militair na het volgen van de initiële opleiding wordt bevorderd tot eerste luitenant wanneer hij de effectieve rang van tweede luitenant gedurende twee jaar heeft bekleed. Deze regel is ook neergelegd in artikel 3:24, eerste lid, van de Voorlopige Voorziening Uitvoeringsregeling AMAR (URAMAR). De in 3:24, tweede lid van de URAMAR genoemde uitzondering is alleen van toepassing op [ functie 6] . Onweersproken is dat appellant daaraan niet voldeed ten tijde van het volgen van de SOO. Het beroep van appellant op artikel 3:11, zesde lid, onder b van de URAMAR kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Niet is gebleken dat de functie [naam functie 5] alleen aan een eerste luitenant kan worden toegewezen. De enkele omstandigheid dat dit in de praktijk wel vaak het geval is maakt niet dat de functie niet ook door een tweede luitenant ingevuld kan worden. De rechtbank volgt de Kroon in zijn toelichting dat het gegeven dat in de bij de functie behorende vacaturegegevens is opgenomen dat aan de functie de rang van eerste luitenant is verbonden, berust op een fout die inmiddels is hersteld. Aan appellant komt verder geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel toe. Appellant heeft aan de INFOOP nr. 2016/20 en het jaarverslag van de Aanname Adviescommissie van de KMA van oktober 2016 geen gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen. Daarbij is van groot belang dat in de persoonlijk tot appellant gerichte correspondentie altijd duidelijkheid is gegeven dat hij zou worden bevorderd tot tweede luitenant .

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 24, vierde lid, van het AMAR, voor zover hier van belang, bepaalt dat aan de militair die een functie is toegewezen waaraan een hogere rang is verbonden dan de rang die hij bekleedt, met ingang van de datum van ingang van functievervulling die hogere rang wordt toegekend.

4.1.2.

Artikel 24, zevende lid, aanhef en onder b van het AMAR, voor zover hier van belang, bepaalt dat bij de Koninklijke landmacht de bevordering van tweede luitenant tot eerste luitenant kan geschieden in afwijking van het vierde lid.

4.1.2.

Artikel 24b, derde lid, aanhef en onder a, van het AMAR, voor zover hier van belang, bepaalt dat de militair, ingedeeld bij de Koninklijke landmacht in verband met opgedane ervaring of gevolgde opleiding bevorderd wordt tot eerste luitenant wanneer hij de effectieve rang van tweede luitenant gedurende twee jaren heeft bekleed.

4.1.3.

Artikel 24b, zevende lid van het AMAR bepaalt dat bij ministeriele regeling nadere regels kunnen worden gesteld voor bevordering tijdens of aansluitend op een opleiding dan wel op grond van ervaringsopbouw.

4.2.1.

Artikel 3:11, zesde lid, van de URAMAR bepaalt dat de militair die reeds is aangesteld bij het beroepspersoneel en bestemd was voor het vervullen van onderofficiersfuncties en als gevolg van een bestemmingswijziging wordt opgeleid tot [naam functie 3] , wordt bevorderd tot:

a. tijdelijk vaandrig/kornet , op de dag dat de verkorte ALO 1 en 2 succesvol zijn afgerond. De militair behoudt die tijdelijke rang totdat is voldaan aan artikel 24, eerste lid, van het AMAR;

b. de rang behorend bij de functie die wordt toegewezen na succesvolle afronding van de opleiding.

4.2.2.

Artikel 3:19 van de URAMAR bevat nadere bepalingen over de ervaringsopbouw die vereist is om voor een bevordering als bedoeld in artikel 24, zevende lid aanhef en onder b, van het AMAR in aanmerking te komen. Artikel 3:24 van de URAMAR bevat nadere bepalingen over de bevordering tot eerste luitenant .

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het door de rechtbank als hoofdregel aangemerkte artikel 24b, derde lid, aanhef en onder a, van het AMAR ondergeschikt is aan de hoofdregel van artikel 24, vierde lid, van het AMAR. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals eerder overwogen in onder meer de uitspraken van 11 maart 1994 (ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5025) en van 6 augustus 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2685) houdt het systeem van het AMAR in dat bevordering en functietoewijzing onlosmakelijk zijn verbonden, behoudens de in de artikelen 24, 24a, 24b van het AMAR limitatief opgesomde specifieke uitzonderingsgevallen. In artikel 24, zevende lid, aanhef en onder b en artikel 24b, derde lid, aanhef en onder a zijn uitzonderingen opgenomen voor de bevordering tot eerste luitenant . In het geval van appellant doet zich de specifieke uitzondering voor van artikel 24b, derde lid, aanhef en onder a, van het AMAR, waaruit volgt dat een bevordering tot eerste luitenant plaatsvindt wanneer de effectieve rang van tweede luitenant gedurende twee jaren is uitgeoefend. Uit de Nota van Toelichting (Staatsblad 1989, 386, p. 43) bij artikel 27, vijfde lid van het AMAR (thans artikel 24, zevende lid van het AMAR) blijkt dat de in dit lid bedoelde bevorderingen – waaronder de bevordering van tweede tot eerste luitenant – slechts de grotere ervaring in de functie en niet de zwaarte van de functie tot uitdrukking brengen. Ook uit de tekst van artikel 24b, derde lid, van het AMAR blijkt dat de daarin genoemde bevorderingen – waaronder de bevordering tot eerste luitenant – verband houden met opgebouwde ervaring, aangezien als vereiste wordt gesteld dat gedurende een bepaalde periode op het betreffende functieniveau ervaring is opgedaan.

4.4.

Appellant heeft gesteld dat uit het bepaalde in artikel 3:11, zesde lid, aanhef en onder b, van de URAMAR volgt dat het ervaringsvereiste niet op hem van toepassing is en heeft er hierbij op gewezen dat uit de functiebeschrijving en de gegevens uit de vacaturebank blijkt dat eerste luitenant de rang is die bij zijn functie behoort. De Raad ziet hierin geen grond voor de conclusie dat het ervaringsvereiste niet op appellant van toepassing is. Niet gebleken is dat met artikel 3:11, zesde lid, aanhef en onder b, van de URAMAR is bedoeld om een uitzondering te maken op de ervaringseis die in het voor appellant geldende artikel 24b, derde lid, aanhef en onder a, van het AMAR is neergelegd voor de bevordering tot eerste luitenant . Voor de bevordering tot eerste luitenant is de ervaringseis bovendien uitdrukkelijk herhaald in het bepaalde van artikel 3:24 van de URAMAR, waarbij in het tweede lid een uitzondering is gemaakt, die hier evenwel onomstreden niet van toepassing is. De Raad ziet in dit verband geen aanleiding voor twijfel aan de toelichting van de Kroon dat de vermelding dat aan de functie van [naam functie 5] de rang van eerste luitenant is verbonden berust op een fout, nu binnen Defensie alleen wordt gesproken over functies in de rang van luitenant en er in dat kader geen onderscheid bestaat tussen functies in de rang van tweede luitenant en eerste luitenant . Uit het in 4.4 beschreven systeem van het AMAR volgt immers dat de bevordering tot eerste luitenant en het onderscheid tussen eerste en tweede luitenant niet is gekoppeld aan de zwaarte van de toegewezen functie maar uitsluitend aan de specifieke ervaring die de militair moet hebben opgebouwd. Aangezien functies voor de duur van drie jaar worden toegewezen kan een militair gedurende de plaatsing op die functie worden bevorderd tot eerste luitenant .

4.5.

Appellant heeft in hoger beroep zijn beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald en gesteld dat hij op basis van de INFOOP nr. 2016/20 en het jaarverslag 2015-2016 van de AanstellingsAdvies Commissie Koninklijke Landmacht gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat hij bij de eerste functietoewijzing na de SOO zou worden bevorderd tot eerste luitenant . Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351, is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat de belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant hierin niet is geslaagd. Hieraan wordt toegevoegd dat het hiervoor genoemde jaarverslag in de door appellant aangehaalde passage verwijst naar de INFOOPS van 2016. Uit de betreffende INFOOP nr. 2016/20 blijkt dat deze niet alleen voor de doelgroep [naam functie 1] is geschreven maar ook voor de doelgroep adjudant, waarbij bovendien uitdrukkelijk is vermeld dat het bericht, niet altijd volledig kan zijn en dat daarom aan dit bericht geen rechten kunnen worden ontleend. Dat daarin niet is vermeld dat voor een deel van de doelgroepen geldt dat bevordering tot eerste luitenant eerst plaatsvindt indien is voldaan aan het ervaringsvereiste maakt, gelet op het gemaakte voorbehoud, dus niet dat appellant daaruit mocht afleiden dat voor hem ook zou gelden dat hij werd bevorderd tot eerste luitenant . Bovendien is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in het onder 1.1 genoemde besluit van 28 november 2016, en dus voor aanvang van de opleiding, duidelijk aan appellant medegedeeld dat hij na het met succes voltooien van de SOO zal worden voorgedragen om te worden benoemd tot [naam functie 3] in de rang van tweede luitenant .

4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.C. Boeree en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2021.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) M. Stumpel