Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2021
Datum publicatie
08-07-2021
Zaaknummer
20/832 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toegekende studiefinanciering terecht herzien, in die zin dat appellante thuiswonende deelnemer is aangemerkt. Daarbij is terecht een bedrag van € 1.669,52 van haar teruggevorderd. Niet woonachtig op bpr-adres. Zoals de Raad vaker heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in zijn uitspraken van 31 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:384 en 19 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:349, is een herziening als hier aan de orde, nadat herhaaldelijk geprobeerd is een huisbezoek af te leggen, mogelijk enkel op basis van getuigenverklaringen. De beide buren waren op de hoogte van de namen van de hoofdbewoners, wisten te vermelden dat de hoofdbewoners de woning op het brp-adres al langer hadden maar daar eerst na hun huwelijk zijn gaan wonen, en zij hebben gelijkluidende informatie verstrekt over het werk van de hoofdbewoonster. In het licht van deze waarnemingen is niet aannemelijk dat deze buren er niet van op de hoogte zouden zijn dat ook betrokkene, zoals zij stelt ten tijde van het buurtonderzoek reeds ruim acht maanden, woonde op het brp-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 832 WSF

Datum uitspraak: 7 juli 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 januari 2020, 19/979 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. Jansen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gedeeltelijk door middel van beeldbellen, plaatsgevonden op 2 juni 2021. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots. Betrokkene heeft deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door mr. Jansen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene stond vanaf 28 februari 2018 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het [brp-adres ] in [woonplaats] (brp-adres). Onder dit adres staan, ten tijde van belang, tevens ingeschreven een zus en zwager van betrokkene (hoofdbewoners).

1.2.

Betrokkene heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 maart 2018 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende deelnemer.

1.3.

In opdracht van de minister hebben een aantal controleurs onderzoek gedaan naar de woonsituatie van betrokkene. Daartoe hebben zij in de maand oktober 2018 driemaal geprobeerd om een huisbezoek af te leggen op het brp-adres om te controleren of betrokkene op dat adres woonde. Na aanbellen werd steeds niet opengedaan. Op 19 oktober 2018 hebben de controleurs een buurtonderzoek verricht. Daarbij hebben zij schriftelijke verklaringen opgenomen van de bewoners van de adressen [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] . Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt. De door de bewoners van de genoemde adressen ondertekende verklaringen zijn als bijlagen bij het rapport gevoegd.

1.4.

Bij besluiten van 1 november 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 februari 2019 (bestreden besluit), heeft de minister op basis van de onder 1.3 genoemde verklaringen de aan betrokkene toegekende studiefinanciering met ingang van 1 maart 2018 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende deelnemer is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 1.669,52 van haar teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de besluiten van 1 november 2018 herroepen en de minister veroordeelt tot vergoeding van wettelijke rente aan betrokkene. De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van het buurtonderzoek onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie van de minister dat betrokkene vanaf 1 maart 2018 niet woonde op het brp-adres. Daartoe is het volgende overwogen. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2006) behoort het tot de mogelijkheden een besluit als hier aan de orde te baseren op twee getuigenverklaringen, indien duidelijk is op basis van welke waarnemingen tot de verklaringen is gekomen en de verklaringen in essentie een zelfde beeld schetsen. Volgens de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. Uit het rapport van het huisbezoek blijkt dat de buren, afzonderlijk van elkaar, hebben verklaard dat op het brpadres een jong Marokkaans stel woont en dat er geen andere mensen wonen of hebben gewoond. Daar staat tegenover dat onduidelijk is op basis van welke waarnemingen tot de verklaringen is gekomen. De verklaringen van de buren zijn namelijk summier en bevatten geen verdere bijzonderheden, zoals over de feitelijke waarnemingen van de buren, hun contacten met de bewoners van het brp-adres en de periode waarop hun verklaringen betrekking hebben. Nu er verder geen onderzoek heeft plaatsgevonden heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene niet op het brp-adres woonde.

3. De minister heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat het buurtonderzoek onvoldoende grondslag biedt voor het bestreden besluit. Volgens de minister is de zaak in grote mate vergelijkbaar met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 19 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:349. Evenals in die zaak woonden de buren, ten tijde hier van belang, in de onmiddellijke nabijheid van het brp-adres en hebben zij onafhankelijk van elkaar tegenover de controleurs een gelijkluidende verklaring afgelegd, welke verklaring zij hebben ondertekend. De buren hebben dezelfde waarnemingen vermeld over de door hen genoemde bewoners van het brp-adres. Zo hebben beide buren verklaard dat een jong stel op het brp-adres woont, dat zij [A.] en [B.] heten, dat [B.] in de zorg werkt en onregelmatige diensten heeft, dat zij er ruim een jaar wonen, dat zij er pas zijn gaan wonen na hun huwelijksfeest en dat er naast het stel niemand anders woont. Verder is door de buren verklaard dat ze elkaar groeten en dat ze een praatje maken als ze elkaar zien en dat ze elkaar kennen in deze straat.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Een besluit tot herziening als in dit geschil aan de orde kan eerst in rechte stand houden indien de minister aannemelijk maakt dat betrokkene niet heeft voldaan aan de vereisten die in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 zijn gesteld. Voor een uitgebreide beschrijving van het toetsingskader verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877. Verder geldt dat een besluit tot herziening dient te berusten op onderzoek waarbij de minister voldoet aan zijn in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde plicht tot het vergaren van de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

4.2.

Zoals de Raad vaker heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in zijn uitspraken van 31 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:384 en 19 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:349, is een herziening als hier aan de orde, nadat herhaaldelijk geprobeerd is een huisbezoek af te leggen, mogelijk enkel op basis van getuigenverklaringen.

4.3.

De minister heeft met de verklaringen van de buurtbewoners aannemelijk gemaakt dat betrokkene op het moment van het buurtonderzoek niet woonde op het brp-adres. De weergave van de beide getuigenverklaringen voldoet aan de daaraan te stellen eisen, zodat het bestreden besluit daarop kon worden gebaseerd. Inzichtelijk is op welke wijze deze verklaringen tot stand zijn gekomen. De door de buurtbewoners ondertekende verklaringen zijn, onafhankelijk van elkaar, tot stand gekomen naar aanleiding van vragen van de controleurs die in het rapport zijn opgenomen. De gegeven antwoorden schetsen in essentie een zelfde beeld. De beide buren, die al vele jaren (bijna) naast het brp-adres wonen, hebben desgevraagd verklaard dat sinds ruim een jaar op het brp-adres een jong stel (hoofdbewoners) woont en er verder niemand anders woont. Zij hebben desgevraagd verklaard dat ze de hoofdbewoners kennen, ze elkaar als buren groeten en regelmatig een praatje maken. Zij waren op de hoogte van de namen van de hoofdbewoners, wisten te vermelden dat de hoofdbewoners de woning op het brp-adres al langer hadden maar daar eerst na hun huwelijk zijn gaan wonen, en zij hebben gelijkluidende informatie verstrekt over het werk van de hoofdbewoonster. In het licht van deze waarnemingen is niet aannemelijk dat deze buren er niet van op de hoogte zouden zijn dat ook betrokkene, zoals zij stelt ten tijde van het buurtonderzoek reeds ruim acht maanden, woonde op het brp-adres.

4.4.

In hoger beroep heeft betrokkene een nadere verklaring van 14 mei 2021 van de bewoonster van het adres [adres 1] in [woonplaats] overgelegd. Daarin stelt de bewoonster dat zij zich niet kan herinneren dat zij haar eerste verklaring heeft ondertekend en dat zij de controleurs desgevraagd heeft verteld dat zij niet weet of er buiten de hoofdbewoners andere personen wonen op het brp-adres. Ten aanzien van deze nadere verklaring wordt overwogen dat naar vaste rechtspraak (uitspraak van 13 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1657) dient te worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een controleur afgelegde en ondertekende verklaring en weinig betekenis toekomt aan een latere intrekking of wijziging van die verklaring. De Raad ziet geen aanleiding in deze zaak van dat uitgangspunt af te wijken. De handtekening op de nadere verklaring komt overeen met de handtekening op de eerste verklaring, wat van de zijde van betrokkene ook niet wordt betwist, zodat er geen reden voor twijfel is dat de eerste verklaring daadwerkelijk door de bewoonster zelf is ondertekend. De gestelde vragen en de door de bewoonster daarop gegeven antwoorden zijn in de eerste verklaring opgenomen. Verder staat daarin vermeld dat de verklaring aan de bewoonster is voorgelezen, deze verklaring de inhoud van haar woorden goed weergeeft en zij in de gelegenheid is gesteld wijzigingen of aanvullingen aan te brengen.

4.5.

Anders dan betrokkene in beroep gesteld heeft, vereist de zorgvuldigheid niet dat de pogingen tot het afleggen van een huisbezoek ook op een tijdstip in de avond of in het weekend en met grotere tijdsintervallen plaats hadden dienen te vinden. Er zijn geen aanwijzingen dat het voor de controleurs bij voorbaat duidelijk had moeten zijn dat de bewoners van het brp-adres op de wisselende tijdstippen waarop zij getracht hebben een huisbezoek af te leggen, in verband met werk of vakantie, niet thuis waren. Uit de door betrokkene overgelegde gegevens is voorts gebleken dat de hoofdbewoners alleen ten tijde van de tweede poging tot het afleggen van een huisbezoek afwezig waren in verband met vakantie. Dat een onderzoek op het ouderlijk adres achterwege is gebleven, is evenmin onzorgvuldig. Uit het bepaalde in artikel 1.5 van de Wsf 2000 volgt immers dat voor het recht op een uitwonendenbeurs bepalend is of betrokkene al dan niet woont op het brp-adres.

4.6.

De in bezwaar en beroep door betrokkene overgelegde verklaringen van de hoofdbewoners en een kennis van de hoofdbewoonster leiden niet tot een ander oordeel. Daargelaten dat wegens het ontbreken van een afschrift van een legitimatiebewijs de authenticiteit van de verklaring van de kennis niet is komen vast te staan, bevat deze verklaring geen (gedetailleerde) informatie ten aanzien van de feitelijke woonsituatie op het brp-adres. De hoofdbewoners hebben verklaard dat betrokkene vanaf februari 2018 officieel op het brp-adres woont, maar dat zij feitelijk reeds vanaf oktober 2017 verbleef op het brpadres. De hoofdbewoonster heeft verder verklaard dat de buren betrokkene niet kennen omdat betrokkene geen contact maakt met onbekende mensen. Deze verklaring(en) rijmen niet met de door betrokkene in bezwaar gegeven verklaring. Zo heeft zij toen verklaard dat zij haar buren gedag zegt als zij elkaar op straat tegenkomen en zij er pas is komen wonen ruim nadat de hoofdbewoners, toen zij er in oktober 2017 kwamen te wonen, kennis hadden gemaakt met de buren. Bovendien worden de overgelegde verklaringen niet ondersteund met verklaringen van derden en/of andere verifieerbare objectieve gegevens waaruit kan worden afgeleid dat betrokkene wel woonde op het brpadres.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade, in de vorm van wettelijke rente, afwijzen.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 februari 2019 ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2021.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) E.M. Welling