Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1601

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2021
Datum publicatie
08-07-2021
Zaaknummer
19/4404 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CAK heeft terecht geweigerd de zorgkosten van appellant (gemoedsbezwaarde) te vergoeden voor zover die het saldo van bijdragevervangende belasting te boven gingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4404 ZVW

Datum uitspraak: 1 juli 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 september 2019, 18/3104 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2020. Namens appellant is mr. Van Knippenbergh verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

De zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 20 mei 2021. Namens appellant is mr. Van Knippenbergh verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Morsch en mr. Nijman.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

1. Appellant is erkend als gemoedsbezwaarde. Daarom is hij niet verzekeringsplichtig voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). In plaats van premie betaalt hij bijdragevervangende belasting. Met die belasting wordt voor appellant een spaarsaldo opgebouwd. Daarvan betaalt CAK zijn ziektekosten voor zover die in het basispakket vallen. CAK heeft geweigerd over 2018 de ziektekosten van appellant te vergoeden voor zover die kosten hoger waren dan het spaarsaldo dat er nog stond voor appellant. Appellant vindt dat discriminerend. Bovendien vindt hij zijn situatie zo bijzonder dat CAK zijn ziektekosten helemaal had moeten vergoeden. De Raad is dat niet met appellant eens. CAK heeft terecht geweigerd de declaraties te vergoeden toen het spaarsaldo van appellant verbruikt was. Dat wordt hieronder uitgelegd.

Wat ging er vooraf?

1.1.

Appellant is door de Sociale verzekeringsbank (Svb) erkend als gemoedsbezwaarde en is

op grond van de Zvw niet verzekerd voor ziektekosten. Appellant betaalt geen premie maar betaalt ter vervanging daarvan een bijdragevervangende belasting. Dat bedrag wordt op een rekening van CAK gestort, het spaartegoed.

1.2.

Met een besluit van 26 juli 2018 heeft CAK het saldo te gebruiken voor de kosten van medische zorg voor het jaar 2018 voor het huishouden van appellant vastgesteld op € 997,-. Over dit spaarsaldo zijn partijen het eens.

1.3.

In 2018 heeft CAK eerst een bedrag van € 574,67 aan appellant betaald. Dit betrof declaraties over de jaren 2016 en 2017 die nog niet eerder waren vergoed. Vervolgens heeft appellant bij CAK zorgkosten over het jaar 2018 gedeclareerd. CAK heeft de over 2018 gedeclareerde kosten voor een bedrag van € 422,33 vergoed. CAK heeft bij besluiten van 21 augustus 2018 geweigerd de rest van de kosten over 2018 te vergoeden omdat appellant geen spaartegoed over 2018 meer heeft. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.4.

In een besluit op bezwaar van 31 oktober 2018 (bestreden besluit) heeft CAK het

bezwaar van appellant tegen de besluiten van 21 augustus 2018 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank stelt dat de regeling voor gemoedsbezwaarden een toereikende en passende voorziening is en dat de situatie dat de door de gemoedsbezwaarde betaalde inkomensafhankelijke bijdrage lager is dan de kosten daarbij is onderkend. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Raad van 8 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:37. Volgens de rechtbank is er geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen verzekeringsplichtigen en gemoedsbezwaarden omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Voor het buiten toepassing laten van de regeling in het specifieke geval van appellant omdat hij onverwacht met hoge medische kosten te maken heeft gekregen, ziet de rechtbank geen reden. De rechtbank oordeelt dat CAK appellant op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in bezwaar niet heeft hoeven horen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

Standpunten van partijen in hoger beroep

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep (kort samengevat) aangevoerd dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord en dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad. Verder heeft hij aangevoerd dat sprake is van een verboden onderscheid tussen verzekerden en niet verzekerden, omdat ziektekosten die het spaarsaldo te boven gaan aan gemoedsbezwaarden niet vergoed worden. Volgens appellant moet het solidariteitsbeginsel ook gelden voor gemoedsbezwaarden.

3.2.

CAK verzoekt de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

Oordeel van de Raad

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

In geding is in de eerste plaats of CAK op het bezwaar mocht beslissen zonder appellant te horen. Volgens appellant had de rechtbank CAK moeten veroordelen in de proceskosten van appellant omdat appellant in bezwaar ten onrechte niet is gehoord.

4.1.2.

Een bestuursorgaan mag er van afzien de belanghebbende tijdens de bezwaarprocedure te horen als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is geregeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Die situatie doet zich hier voor. Uit het bezwaarschrift bleek weliswaar dat appellant een diepgewortelde weerstand koesterde tegen verzekeringen, overheidsinstanties en ambtenaren, maar het bezwaarschrift bevatte geen enkel inhoudelijk argument dat hout zou kunnen snijden. Dat bezwaar was dan ook kennelijk ongegrond. CAK hoefde appellant daarom niet te horen. Deze gang van zaken hoefde daarom ook niet tot een proceskostenveroordeling te leiden.

4.2.1.

In geding is verder of de in 4.2.3 te beschrijven regeling voor gemoedsbezwaarden een verboden onderscheid maakt tussen gemoedsbezwaarden en verzekeringsplichtigen op grond van de Zvw. De Raad begrijpt dat appellant artikel 70 van de Zvw discriminerend vindt omdat voor gemoedsbezwaarden uitsluitend wordt voorzien in een vergoeding van ziektekosten tot het opgebouwde saldo van de bijdragevervangende belasting, terwijl aan Zvw-verzekerden ook ziektekosten worden vergoed die de betaalde premies te boven gaan. Dit zou in strijd zijn met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

4.2.2.

Uitgangspunt van de Zvw is dat iedere ingezetene verzekeringsplichtig is, premies afdraagt en (vergoedingen voor) verstrekkingen ontvangt die zijn opgenomen in het basispakket.

4.2.3.

Op grond van artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen kan de Svb onder bepaalde voorwaarden degene die gemoedsbezwaren heeft tegen één of meer volksverzekeringen, ontheffen van de verplichting een zorgverzekering te sluiten op grond van de Zvw. In de artikelen 57 en 70 van de Zvw, nader uitgewerkt in artikel 6.4.1 van de Regeling Zorgverzekering, is een regeling opgenomen voor de door de Svb erkende gemoedsbezwaarden. Deze regeling houdt in dat de Belastingdienst van deze gemoedsbezwaarden een bijdragevervangende belasting heft en die stort op een op naam gestelde rekening van de gemoedsbezwaarde bij CAK. Van deze rekening keert CAK aan de gemoedsbezwaarde op verzoek een vergoeding uit voor ziektekosten. Als het saldo van de rekening is verbruikt worden verdere declaraties niet gehonoreerd.

4.2.4.

Bij de totstandkoming van de regeling voor gemoedsbezwaarden stelde de Minister oorspronkelijk voor, de bijdragevervangende belasting in het Zorgverzekeringsfonds te storten. Dit hing samen met het uitgangspunt van verplichte solidariteit.1 Naar aanleiding van een amendement van het lid Van der Vlies is de keuze gemaakt om de bijdragevervangende belasting niet in het Zorgverzekeringsfonds, maar op een spaarrekening van de gemoedsbezwaarde zelf te storten.2 Het amendement is, voor zover hier van belang, als volgt toegelicht:

“Gemoedsbezwaarden zullen evenals verzekerden ziektekosten maken. Ten opzichte van verzekerden hebben zij een nadeel omdat zij deze kosten als gevolg van hun gemoedsbezwaren zelf dragen. Zij betalen wel premievervangende belasting, terwijl zij hier geen voordeel van hebben. Voor zover deze ziektekosten niet uitstijgen boven de premievervangende belasting die deze gemoedsbezwaarden betalen, is het redelijk hen recht te geven op vergoeding van deze ziektekosten uit de door hen betaalde bedragen aan premievervangende belasting. Als gevolg van dit amendement wordt de door de gemoedsbezwaarde extra betaalde belasting op naam van de gemoedsbezwaarde apart gezet op een rekening bij het College zorgverzekeringen. De vergoeding vindt op grond van het vierde lid van het voorgestelde artikel 69a [nu artikel 70] alleen plaats voor zover de vergoedingen niet uitgaan boven de door deze persoon betaalde inkomensafhankelijke bijdragen. (…)”.

4.2.5.

Appellant heeft bij de rechtbank bevestigd dat hij zich niet wil verzekeren omdat hij vindt dat alle verzekeringsmaatschappijen oplichters zijn. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant toegelicht dat appellant bedoelt dat hij gelooft in het leerstuk van zelfredzaamheid en meent dat risico’s niet moeten worden afgewenteld. Deze opvatting is voor appellant aanleiding geweest om erkenning te vragen als gemoedsbezwaarde. De Svb heeft deze aanvraag gehonoreerd.

4.2.6.

De Raad constateert dat appellant wilde worden uitgezonderd van (onder andere) de verzekeringsplicht voor de Zvw, die een uitdrukking is van collectieve solidariteit op het gebied van medische kosten. Door appellant als gemoedsbezwaarde te erkennen is de overheid tegemoet gekomen aan de – al dan niet als levensovertuiging te kwalificeren – opvatting van appellant. Op die manier is appellant immers niet langer verplicht tot deelname aan die collectieve solidariteit. In plaats daarvan moet appellant jaarlijks een bijdragevervangende belasting afdragen ter hoogte van de door de verzekeringsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke premie Zvw. De door verzekerden verschuldigde nominale premie blijft buiten de berekening van de bijdragevervangende belasting. Met deze belasting spaart appellant voor vergoeding van zijn eigen ziektekosten. Appellant draagt niet bij aan ziektekosten van anderen. Daar staat tegenover dat anderen ook niet bijdragen aan de ziektekosten van appellant. Appellant moet zijn ziektekosten zelf dragen, voor zover die hoger zijn dan de door hem betaalde bijdragevervangende belasting. Anderen wentelen dus hun ziektekosten niet af op appellant en appellant wentelt zijn ziektekosten niet af op anderen. Dit is precies de situatie die appellant heeft gewild toen hij erkenning vroeg als gemoedsbezwaarde. Het is ook de situatie die de wetgever blijkens 4.2.3 heeft bedoeld.

4.2.7.

Omdat appellant zich, vanwege zijn voorkeur voor zelfredzaamheid, willens en wetens heeft onttrokken aan de collectieve solidariteit op het gebied van ziektekosten, kan hij voor de toepassing van de Zvw redelijkerwijs niet worden vergeleken met een verzekeringsplichtige op grond van de Zvw. Van een verboden ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen is alleen al daarom geen sprake. De Raad hoeft dan de vraag niet meer te beantwoorden of de regeling voor gemoedsbezwaarden voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

4.2.8.

Op de zitting bij de Raad heeft appellant nog aangevoerd dat hij twintig jaar zonder problemen gebruik heeft gemaakt van de regeling voor gemoedsbezwaarden. In 2015 moest hij echter halsoverkop worden afgevoerd naar het ziekenhuis, zodat hij niet zelf heeft kunnen beslissen over de medische ingrepen die hebben plaatsgevonden. Deze medische calamiteit en de nasleep daarvan hebben ertoe geleid dat appellant inmiddels een aanzienlijke schuld heeft in verband met zorgkosten. Deze schuld drukt zwaar op appellant, omdat hij van een bijstandsuitkering moet leven en voor ziektekosten geen bijzondere bijstand ontvangt. De Raad begrijpt dat appellant vindt dat artikel 70 van de Zvw in zijn bijzondere situatie zo onbillijk uitpakt dat voor hem een uitzondering moet worden gemaakt op die bepaling.

4.2.9.

Artikel 120 van de Grondwet verbiedt de rechter, een formele wetsbepaling zoals artikel 70 van de Zvw te toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Verder is het de rechter verboden zijn eigen belangenafweging in de plaats te stellen van een belangenafweging die de wetgever al heeft gemaakt. Maar als er in een concreet geval bijzondere omstandigheden zijn waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden, hoeft de rechter de wet niet strikt toe te passen. De rechter mag in zo’n geval van de wet afwijken, als door een strikte wetstoepassing een fundamenteel rechtsbeginsel zou worden geschonden.

4.2.10.

De Raad ziet in de situatie van appellant geen bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden. De Raad verwerpt de stelling van appellant dat de toepassing van artikel 70 van de Zvw in zijn geval leidt tot een resultaat dat de wetgever niet heeft gewild. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever er rekening mee heeft gehouden dat gemoedsbezwaarden alleen een vergoeding van hun ziektekosten zouden krijgen tot het bedrag van de bijdragevervangende belasting die zij zouden betalen. De Raad verwijst hiervoor naar punt 4.2.4 en punt 4.2.6 van deze uitspraak. Verder behoren medische calamiteiten waarbij onmiddellijk moet worden ingegrepen en die leiden tot hoge kosten, tot de voorzienbare risico’s van het leven. Onder andere met het oog op dergelijke risico’s is voor ziektekosten een stelsel van collectieve solidariteit gecreëerd. De wetgever moet worden geacht zich bewust te zijn geweest van dergelijke risico’s toen hij de regeling voor gemoedsbezwaarden tot stand bracht.

4.2.11.

Gelet op 4.2.1 tot en met 4.2.10 heeft CAK terecht geweigerd de zorgkosten van appellant te vergoeden voor zover die het saldo van bijdragevervangende belasting te boven gingen. Ook voor het overige slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2021.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) R. van Doorn

1 Kamerstukken II, 2004/05, 29 763, nr. 7, pag. 38

2 Kamerstukken II, 2004/05, 29 763, nr. 31