Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
19/2035 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:1348, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat appellant heeft verklaard dat hij geen beroep heeft gedaan op de door het dagelijks bestuur bij wijze van hardheidsclausule geboden mogelijkheid om zich tot de werkgever te wenden als de geldende FLO-regeling tot financiële problemen zou leiden. De Raad stelt verder het volgende vast. Op het moment dat appellant met buitengewoon verlof is gegaan en gebruik is gaan maken van de regeling voor FLO op 1 januari 2008, was op zijn rechtspositie de CAR/UWO van toepassing. Appellant heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat ondanks dat de hoofdstukken 9b tot en met 9e van de CAR/UWO per 1 januari 2011 voor hem ‘ongewijzigd en volledig’ zijn blijven gelden, het sindsdien gewijzigde FLO-overgangsrecht - met name de compensatieregeling voor het AOW-gat van artikel 9b:77 van de CAR/UWO - op hem van toepassing is. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet. Appellant heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het dagelijks bestuur hem geen keuze gaf om wel of niet met buitengewoon verlof te gaan. Daardoor is volgens hem het dagelijks bestuur verantwoordelijk voor het ontstane AOW-gat en moet het dagelijks bestuur dit compenseren. De Raad volgt ook dit standpunt van appellant niet. De Raad is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat van gelijke gevallen geen sprake is. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2035 AW

Datum uitspraak: 1 juli 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 maart 2019, 18/3044 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de RAV Brabant Midden-West-Noord (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

Namens het dagelijks bestuur heeft mr. M.J.J. Rutten, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. Het dagelijks bestuur heeft zich, via videobellen, laten vertegenwoordigen door mr. Rutten en mr. G.T.B. Jacobs.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

2.1.

Appellant was werkzaam voor [naam BV] Vanwege de overname van dit bedrijf door de RAV Brabant Midden-West-Noord (RAV), is appellant bij besluit van 20 december 2007 (aanstellingsbesluit) per 1 januari 2008 aangesteld bij de RAV.

2.2.

Het dagelijks bestuur van de RAV heeft appellant met ingang van zijn aanstelling, dus per 1 januari 2008, buitengewoon verlof verleend met toepassing van hoofdstuk 9b van de CAR/UWO RAV. Dit hoofdstuk regelt het overgangsrecht voor ambtenaren die op 31 december 2005 werkten in een functie die recht gaf op functioneel leeftijdsontslag (FLO).

2.3.

In het aanstellingsbesluit heeft het dagelijks bestuur onder meer laten weten dat appellant tijdens het buitengewoon verlof 80% van zijn bezoldiging krijgt doorbetaald. Verder is meegedeeld dat appellant vanaf de leeftijd van 59 jaar volledig onbezoldigd buitengewoon verlof wordt verleend, waarbij hij op grond van de levensloopregeling in zijn inkomen kan voorzien. Ten slotte is meegedeeld dat appellant vanaf de leeftijd van 62 jaar versterkt ouderdomspensioen ontvangt van het ABP, tenzij hij zelf voor een eerdere of latere datum kiest, waarbij hij zelf verantwoordelijk blijft voor de financiering van de periode van volledig onbezoldigd buitengewoon verlof die op de leeftijd van 59 jaar is ingegaan.

2.4.

Aan appellant is op zijn verzoek in verband met het bereiken van de 62-jarige leeftijd met ingang van 1 november 2014 ontslag verleend. Hij ontvangt sindsdien ouderdomspensioen van het ABP.

2.5.

Op 16 augustus 2017 heeft appellant het dagelijks bestuur verzocht hem een compensatie toe te kennen voor het AOW-gat dat is ontstaan door de verschuiving van de AOW-leeftijd met een jaar.

2.6.

Bij besluit van 11 september 2017 heeft het dagelijks bestuur het verzoek om compensatie afgewezen.

2.7.

Bij besluit van 4 april 2018 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Met het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak wil appellant bereiken dat het dagelijks bestuur hem alsnog een compensatie toekent voor het AOW-gat dat is ontstaan door de verschuiving van de AOW-leeftijd met een jaar.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1.

De Raad stelt vast dat appellant heeft verklaard dat hij geen beroep heeft gedaan op de door het dagelijks bestuur bij wijze van hardheidsclausule geboden mogelijkheid om zich tot de werkgever te wenden als de geldende FLO-regeling tot financiële problemen zou leiden. Appellant heeft verklaard daartoe geen noodzaak te hebben gezien, omdat hij via een uitzendbureau (bij)werkte en omdat hij van mening is dat hij op basis van het sinds 1 januari 2011 gewijzigde FLO-overgangsrecht voor een compensatie van het AOW-gat in aanmerking komt.

5.2.

De Raad stelt verder het volgende vast. Op het moment dat appellant met buitengewoon verlof is gegaan en gebruik is gaan maken van de regeling voor FLO op 1 januari 2008, was op zijn rechtspositie de CAR/UWO van toepassing. Nadat vanaf 1 januari 2011 voor het personeel van de RAV de Collectieve arbeidsvoorwaardenovereenkomst Ambulancezorg (Cao Ambulancezorg) als rechtspositieregeling is gaan gelden, gold de CAR /UWO niet langer in zijn geheel voor appellant. Alleen het FLO-overgangsrecht uit de hoofdstukken 9b tot en met 9e van de CAR/UWO bleef voor hem ‘ongewijzigd en volledig’ van kracht. Appellant en het dagelijks bestuur verschillen hierover niet van mening.

5.3.

Appellant heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat ondanks dat de hoofdstukken 9b tot en met 9e van de CAR/UWO per 1 januari 2011 voor hem ‘ongewijzigd en volledig’ zijn blijven gelden, het sindsdien gewijzigde FLO-overgangsrecht - met name de compensatieregeling voor het AOW-gat van artikel 9b:77 van de CAR/UWO - op hem van toepassing is.

5.4.

De Raad volgt dit standpunt van appellant niet. Wijzigingen van het FLO-overgangsrecht in de CAR/UWO die dateren van na 1 januari 2011, zijn niet op appellant van toepassing. Appellant is bij brief van 24 december 2010 immers meegedeeld dat de FLO-overgangsregeling van de hoofdstukken 9b tot en met 9e van de CAR/UWO per 1 januari 2011 ‘ongewijzigd en volledig’ voor hem van kracht blijft. Dit is niet anders te begrijpen en uit te leggen dan dat het FLO-overgangsrecht zoals dat per 1 januari 2011 op basis van de hoofdstukken 9b tot en met 9e van de CAR/UWO luidde en voor appellant gold, ook na die datum onveranderd en in volle omvang voor appellant is blijven gelden en dat wijzigingen van na die datum (daarom) niet op appellant van toepassing zijn.

5.5.

Appellant heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het dagelijks bestuur hem geen keuze gaf om wel of niet met buitengewoon verlof te gaan. Daardoor is volgens hem het dagelijks bestuur verantwoordelijk voor het ontstane AOW-gat en moet het dagelijks bestuur dit compenseren.

5.6.

De Raad volgt ook dit standpunt van appellant niet. Buiten bespreking kan worden gelaten of appellant indertijd een vrije keuze had om met buitengewoon verlof te gaan. Van belang is dat appellant in 2014 zelf ontslag nam, op een moment dat de gevolgen van het opschuiven van de AOW-gerechtigde leeftijd al duidelijk waren of hem al duidelijk konden zijn. Dat was het moment geweest om, gelet op de inmiddels gewijzigde situatie, aan het dagelijks bestuur te vragen of er, zo nodig, bij het dagelijks bestuur op aan te dringen dat hij alsnog mocht komen doorwerken. Dat die mogelijkheid reëel was, zoals het dagelijks bestuur heeft betoogd, blijkt uit het feit dat collega N desgevraagd nog twee jaar heeft mogen doorwerken en dat appellant via uitzendbureaus soortgelijk werk in een andere regio heeft gedaan.

5.7.

Appellant heeft ten slotte een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en ter onderbouwing daarvan erop gewezen dat voor sommige beroepsgroepen wel compensatieregelingen in het leven zijn geroepen.

5.8.

De Raad is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat van gelijke gevallen geen sprake is. De compensatieregelingen die appellant bedoelt, gelden voor andere beroepsgroepen dan beroepen in de ambulancezorg en zijn bovendien gebaseerd op andere rechtspositieregelingen. Van gelijke gevallen is alleen al daarom geen sprake.

5.9.

Uit 5.4, 5.6 en 5.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2021.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M.E. van Donk