Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
19/565 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag Wajong-uitkering terecht afgewezen omdat appellante ten tijde van de aanvraag op medische gronden geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is. De verzekeringsarts heeft in hoger beroep herhaald dat een oorzakelijke behandeling voor ME/CVS niet voorhanden is. Van een garantie op succes is dus geen sprake en dat wordt door de verzekeringsarts nadrukkelijk onderkend. Daarmee is evenwel, juist nu over ontstaan, diagnostisering en behandeling van ME/CVS nog veel onduidelijkheid bestaat, niet gezegd dat het arbeidsvermogen zich in dit geval niet kan ontwikkelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 565 WAJONG

Datum uitspraak: 30 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 december 2018, 18/2750 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [A.], haar partner, hoger beroep ingesteld en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [A.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedatum] 1990, heeft met een door het Uwv op 8 juni 2017 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat zij door onder meer fibromyalgie niet in staat is dagelijkse activiteiten vol te houden en merendeels bedlegerig is. Een onderzoek naar de aanwezigheid van ME/CVS is op het moment van de aanvraag gaande. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van onder meer de huisarts, de onderwijsinstelling waaraan appellante in het studiejaar 2014/2015 studeerde, neuroloog/somnoloog R.L.M. Strijers, psycholoog J. van Nimwegen, GZ-psycholoog J.A. Korving-Hakkesteegt en een rapport van het Vermoeidheid&PijnCentrum. Het Uwv heeft vervolgens verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van

21 september 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellante nu op medische gronden geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is.

1.2.

Bij besluit van 12 april 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 21 september 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat niet is uitgesloten dat appellante in de toekomst arbeidsmogelijkheden kan ontwikkelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij betrokken dat appellante ten tijde van de beoordeling nog bezig was met een traject bij het CVS/ME Medisch Centrum dat bestond uit een diagnostisch onderzoek van zes weken, gevolgd door een behandeling van zes maanden, die gericht was op verbetering van de fysieke en cognitieve beperkingen van appellante. De door appellante in beroep ingediende evaluatie van I.V. de Jong, arts bij het CVS/ME Medisch Centrum, van 14 juni 2018 ziet op de gezondheidstoestand van appellante in juni 2018. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen dat aan deze informatie geen belang kan worden toegekend.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens appellante ten onrechte geconcludeerd dat er nog een behandeling mogelijk zou zijn. Ter nadere onderbouwing van haar standpunt heeft appellante gewezen op het advies van de Gezondheidsraad ME/CVS van 19 maart 2018 (Gezondheidsraad, 2018; publicatienr. 2018/07). Verder heeft appellante er op gewezen dat de behandeling bij de CVS/ME Medisch Centrum slechts een proefbehandeling met het voedingssupplement L-Carnitine betrof. Hieraan kan volgens appellante geen doorslaggevend belang worden gehecht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit miskend. Bovendien heeft appellante al in haar bezwaarschrift aangevoerd dat de proefbehandeling geen effect heeft gehad en inmiddels is gestaakt vanwege bijwerkingen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante in ieder geval ten tijde van de aanvraag geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.

4.3.

Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium). In het beoordelingskader is het volgende stappenplan opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen:

“Stap 1 – voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 – voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

- er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

- de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 – voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.”

4.4.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in aanmerking genomen dat bij appellante sprake is van een complexe medische problematiek met ernstige beperkingen op fysiek en psychisch vlak. Het is niet duidelijk welke medische aandoening welk deel van de klachten veroorzaakt. Over het onstaan van ME/CVS is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep veel onduidelijk en een oorzakelijke behandeling is niet voorhanden. Hoewel appellante door haar klachten op medische gronden geen arbeidsvermogen heeft, zijn er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanwijzingen dat er sprake is van een medische problematiek waarbij verbetering uitgesloten is. In het vervolg van de procedure heeft de discussie zich verder toegespitst op de klachten als gevolg van ME/CVS. Ter zake heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep nog benadrukt dat ME/CVS geen progressief ziektebeeld oplevert. In een minderheid van de gevallen kan zelfs spontaan herstel optreden zodanig dat iemand weer kan functioneren als voorheen. Verder kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet worden gesteld dat verbetering van de situatie van appellante is uitgesloten. Nog los van het gegeven dat er ten tijde van de beoordeling in 2017 nog specifiek op appellante gerichte behandeling plaatsvond waarvan kennelijk resultaat werd verwacht, is ook in dit verband het gegeven van een mogelijk spontaan herstel van belang, terwijl bovendien ook cognitieve gedragstherapie nog een, ook door de Gezondheidsraad in het advies van 19 maart 2018 genoemde, behandeloptie is.

4.5.

De Raad kan deze conclusies volgen. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd doet aan die conclusies niet af. Dat in een klein deel van de gevallen spontaan herstel van ME/CVS optreedt, blijkt uit informatie van de Gezondheidsraad, terwijl ook de behandelaar van appellante heeft gesproken van een kans op genezing van 5%. Dat alleen al maakt dat niet kan worden gezegd dat in dit geval is uitgesloten dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich nog zullen ontwikkelen. Dat wordt niet anders doordat de behandeling tot nu toe kennelijk niet of nauwelijks verbetering heeft gebracht en appellante naar eigen zeggen tot de ernstigste gevallen behoort. Verder blijkt uit het meest recente stuk van de behandelaar, de evaluatie van 14 juni 2018, dat ook toen nog werd gezocht naar passende medicatie en is de methode van cognitieve gedragstherapie door appellante nog niet beproefd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in hoger beroep herhaald dat een oorzakelijke behandeling voor ME/CVS niet voorhanden is. Van een garantie op succes is dus geen sprake en dat wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nadrukkelijk onderkend. Daarmee is evenwel, juist nu over ontstaan, diagnostisering en behandeling van ME/CVS nog veel onduidelijkheid bestaat, niet gezegd dat het arbeidsvermogen zich in dit geval niet kan ontwikkelen.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) V.M. Candelaria