Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1560

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
19/4802 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:7851, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Afwijzing verzoek om herziening. Geen feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 8:119 lid 1. 2) Geen recht op WAO-uitkering. Geen sprake van toegenomen beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4802 WAO, 20/907 WAO

Datum uitspraak: 30 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2019, 17/6029 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 juni 2018, 16/6527 WAO-G

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G.H. van de Wetering hoger beroep ingesteld. Appellant heeft tevens een verzoek om herziening ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een reactie op het herzieningsverzoek ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wetering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.drs. F.A. Steenman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 31 oktober 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het Uwv heeft de WAO-uitkering per 2 augustus 2004 ingetrokken, omdat appellant gedetineerd was geraakt nadat hij werd verdacht van een misdrijf. De detentie van appellant is per 2 februari 2005 met onmiddellijke ingang beëindigd omdat appellant niet langer werd verdacht van het plegen van het misdrijf. Het Uwv heeft vervolgens de aanspraken van appellant op heropening van de WAO-uitkering beoordeeld. Bij besluit van 27 april 2005 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen per 2 februari 2005, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 15%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 12 september 2005 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

1.2.

Bij brief van 25 maart 2015 heeft appellant het Uwv verzocht zijn WAO-uitkering met terugwerkende kracht te heropenen. Bij besluit van 4 mei 2015 heeft het Uwv vervolgens beslist om niet terug te komen van het besluit van 27 april 2005. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 oktober 2015 is dit bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep tegen dit besluit heeft de rechtbank bij uitspraak van 23 september 2016, 15/7315, ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.3.

Op 19 oktober 2016 heeft appellant ten kantore van het Uwv zijn dossier ingezien. Daarin heeft hij een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid met datering 1 juli 2005 aangetroffen. Bij e-mailbericht van 1 november 2016 heeft appellant het Uwv verzocht alsnog een besluit te nemen over deze melding. In reactie daarop heeft het Uwv appellant op 7 december 2016 verzocht te laten weten op welke ingangsdatum de melding betrekking heeft en een medische onderbouwing daarvan in te zenden. Appellant heeft bij brief van 23 december 2016 medische informatie ingezonden en laten weten dat de ingangsdatum van de toegenomen arbeidsongeschiktheid 2 juni 2005 is. Bij besluit van 23 februari 2017 heeft het Uwv appellant laten weten dat hij niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering omdat er op of na 2 juni 2005 geen sprake is van toegenomen beperkingen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 6 september 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.4.

De Raad heeft op 7 juni 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1664) uitspraak gedaan op het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 september 2016. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad heeft het besluit van 6 september 2017 in zijn beoordeling betrokken en het beroep daartegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:602) is deze uitspraak gerectificeerd. De passages die strekken tot beoordeling van het besluit van 6 september 2017 zijn uit de uitspraak verwijderd, zodat de uitspraak geen betrekking meer heeft op dat besluit (uitspraak van 7 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4318).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank zag in een door appellant overgelegd rapport van J.K. van der Veer, psychiater, van 18 juli 2019 geen aanleiding de medische beoordeling door het Uwv in twijfel te trekken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant een aanvullend rapport van Van der Veer van 21 april 2020 overgelegd. Volgens appellant blijkt uit de bevindingen van Van der Veer dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 2 juni 2005. Verder heeft appellant verzocht om herziening van de gerectificeerde uitspraak van 7 juni 2018. Ook in dat verband heeft appellant verwezen naar de rapporten van Van der Veer.

3.2.

Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 juli 2020, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en om afwijzing van het herzieningsverzoek verzocht.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Herzieningsverzoek

4.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.2.

Appellant heeft zich beroepen op de rapporten van Van der Veer van 18 juli 2019 en 21 april 2020. Deze rapporten betreffen een psychiatrisch onderzoek dat op 5 juni 2019 en op 19 juni 2019, en dus geruime tijd na (de rectificatie van) de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, heeft plaatsgevonden. Er is daarmee geen sprake van feiten en omstandigheden als onder 4.1 bedoeld. Dat wordt niet anders doordat Van der Veer zich in zijn rapporten ook, veronderstellenderwijs, heeft uitgelaten over het psychiatrisch toestandsbeeld in 2005 waarop de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, over de band van een tien jaar na dato ingediend heropeningsverzoek, betrekking had. Het herzieningsverzoek zal dus worden afgewezen.

Hoger beroep

4.3.

Het bestreden besluit van 6 september 2017 betreft een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 2 juni 2005. De uitspraak van de Raad van 7 juni 2018 heeft, ook na rectificatie, mede betrekking op deze datum en op de periode nadien. Zoals de Raad in genoemde uitspraak onder 4.3 heeft overwogen, heeft het Uwv immers in het kader van het heropeningsverzoek dat in de bewuste procedure centraal stond, niet alleen bezien of er reden was om terug te komen van het besluit van 27 april 2005, maar heeft het Uwv toen ook bekeken of er in de vijf jaren ná 2 februari 2005 meer beperkingen waren dan in de FML van 18 maart 2005 zijn vastgelegd. De datum 2 juni 2005 valt in deze periode. De Raad heeft in de genoemde (gerectificeerde) uitspraak het standpunt van het Uwv onderschreven dat van een toename van de beperkingen in de periode 2 februari 2005 tot 2 februari 2010 niet was gebleken.

4.4.

De Raad ziet in de rapporten van Van der Veer geen aanleiding om in het kader van het nu bestreden besluit tot een ander oordeel te komen. De door Van der Veer gestelde diagnose van een psychotische stoornis is ook voorafgaand aan zijn onderzoek, in de jaren 2015 en 2016, al gesteld door de psychiaters Mulder en Kmetic. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een in bezwaar uitgebracht rapport van 1 september 2017 uitvoerig toegelicht dat in de in het dossier aanwezige gegevens geen aanwijzingen te vinden zijn voor het al rond de datum 2 juni 2005 (objectiveerbaar) aanwezig zijn van de genoemde stoornis in die zin dat daar toen een toename van beperkingen uit voortvloeide. In de procedure die tot de uitspraak van 7 juni 2018 heeft geleid, heeft de Raad dit rapport betrokken in zijn beoordeling ten aanzien van de periode 2 februari 2005 tot 2 februari 2010. In zijn rapport van 9 juli 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er verder nog op gewezen dat ook de door Van der Veer genoemde bijkomende diagnose van een depressieve/bipolaire stoornis niet is af te leiden uit de gegevens van destijds en dat de veronderstellingen van Van der Veer betreffende het verleden evenmin worden ondersteund door het arbeidsverleden van appellant in de periode 2005 tot 2015. Nu er geen medische gegevens uit de periode van belang aanwezig zijn die een bevestiging kunnen vormen van de aannames van Van der Veer, volgt de Raad het Uwv ook nu in zijn conclusies.

4.5.

Het overwogene onder 4.3. en 4.4. betekent dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt. De Raad zal die uitspraak bevestigen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om herziening af;

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) V.M. Candelaria