Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1553

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
20/660 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit na judiciële lus. Wijze waarop terugvorderingsbedrag is berekend. Het college heeft alsnog in beroep in voldoende mate inzichtelijk gemaakt waarop de terugvordering is gebaseerd. Duidelijk is uitgelegd dat de juiste terugvordering het in het besluit genoemde hogere bedrag is. Voorts is inzichtelijk gemotiveerd hoe de fout in de oorspronkelijke berekening tot stand is gekomen. Het motiveringsgebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 660 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

Datum uitspraak: 22 juni 2021

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 26 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3939 (eerdere uitspraak) heeft de Raad voor zover nog van belang het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2016 voor zover dat ziet op de terugvordering en bepaald dat tegen het te nemen besluit op bezwaar slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld.

Ter uitvoering van de eerdere uitspraak heeft het college het besluit van 10 januari 2020 (bestreden besluit) genomen.

Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 december 2020 heeft het college gereageerd op vragen van de Raad en nadere stukken ingediend. Bij brief van 16 maart 2021 heeft appellant daarop gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Daarna heeft de Raad op 7 juni 2021 het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de eerdere uitspraak. Hij volstaat nu met het volgende.

1.1.

Bij besluit van 25 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 januari 2017, heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 21 augustus 2014 tot en met 8 juli 2015 herzien en met ingang van 9 juli 2015 ingetrokken. Voorts heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 21 augustus 2014 tot en met 29 februari 2016 tot een bedrag van € 19.014,44 bruto van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij structureel meer uren werkte en meer inkomsten had dan op de bij het college ingeleverde salarisspecificaties vermeld stonden. Over de periode van 21 augustus 2014 tot en met 8 juli 2015 heeft het college, aan de hand van de op 9 juli 2015 aangetroffen urenbriefjes, rekening gehouden met een gemiddeld weekinkomen van € 205,02 van appellant. Vanaf 9 juli 2015 kan volgens het college als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.2.

In de eerdere uitspraak heeft de Raad, kort weergegeven en voor zover hier van belang, geoordeeld dat de herziening over de periode van 21 augustus 2014 tot en met 8 juli 2015 in stand blijft en dat de intrekking over de periode vanaf 9 juli 2015 niet in stand kan blijven. Daarmee is de grondslag voor de terugvordering over die tweede periode komen te ontvallen. Omdat de ter zitting overgelegde berekening van de terugvordering over de in de eerste periode gemaakte kosten van bijstand niet juist is, zal het college een nieuwe berekening van het over die periode terug te vorderen bedrag moeten maken.

2. Bij het bestreden besluit – voor zover hier van belang – heeft het college de kosten van bijstand over de periode van 21 augustus 2014 tot en met 8 juli 2015 (periode in geding) teruggevorderd en het terugvorderingsbedrag bepaald op € 9.988,40.

3. Appellant heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat de berekening van de terugvordering onjuist is en lager dient te zijn dan het bedrag van € 9.988,40.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit het bestreden besluit, de herberekeningsspecificaties en de nadere toelichting daarop van 13 februari 2020 kan niet worden afgeleid op welke wijze het college tot het teruggevorderde bedrag van in totaal € 9.988,40 is gekomen. Het college heeft dat pas in beroep, in reactie op vragen van de Raad, bij brief van 17 december 2020 met een uitgebreide toelichtende berekening inzichtelijk gemaakt.

4.2.

De Raad begrijpt de reactie van het college zo dat het aan de orde zijnde terugvorderingsbedrag niet volgt uit een nieuwe berekening, maar tot stand is gekomen aan de hand van de oorspronkelijke berekening uit 2016. In die oorspronkelijke berekening is over de herzieningsperiode per abuis uitgegaan van een te lage brutering. Verzuimd is rekening te houden met de wel tijdig gemelde en verrekende inkomsten en de daarover afgedragen belasting en premie. Daardoor is bij de berekening van de brutering geen rekening gehouden de lagere resterende loonheffingskorting. Het college heeft deze gemaakte fout niet hersteld in het bestreden besluit. Het correcte terugvorderingsbedrag is volgens het college namelijk € 12.565,38, dus hoger dan het bedrag dat nu van appellant wordt teruggevorderd. De Raad begrijpt dit standpunt van het college ook zo dat het college die fout ook niet meer zal herstellen en dat het college het verschil met de in zijn ogen juiste terugvordering voor zijn rekening neemt. Appellant heeft hierover desgevraagd het standpunt ingenomen dat nog steeds geen afdoende verklaring en motivering is gegeven voor de juistheid van de teruggevorderde bedragen.

4.3.

Het college heeft met de brief van 17 december 2020 in voldoende mate inzichtelijk gemaakt waarop de terugvordering is gebaseerd. Duidelijk is uitgelegd dat de juiste terugvordering het in 4.2 genoemde hogere bedrag is. Voorts is inzichtelijk gemotiveerd hoe de fout in de oorspronkelijke berekening tot stand is gekomen. Het voorgaande betekent evenwel dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld. Ook indien het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan zou een besluit met diezelfde of zelfs met een voor appellant ongunstigere uitkomst zijn genomen.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5. Wat onder 4.3 is overwogen, geeft aanleiding om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 534,- voor in beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 januari 2020 ongegrond;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 534,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 48,-
vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2021.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M. Zwart