Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1534

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
19/2570 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onbevoegdverklaring Raad. Appelverbod. De Rechtbank heeft het verzet tegen zijn uitspraak, waarbij het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Awb kennelijk ongegrond is verklaard, met toepassing van artikel 8:55 lid 7 van de Awb ongegrond verklaard. De grond dat het college kosten bezwaar had moeten toepassen is geen aanleiding om het appelverbod buiten toepassing te laten. De Raad dient zich onbevoegd te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 mei 2019, 18/5005 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (college)

Datum uitspraak: 29 juni 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 9 juli 2018 heeft appellant bij het college een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor de kosten van therapeutisch zwemmen en, op hetzelfde formulier, een aanvraag gedaan om een individuele inkomenstoeslag.

1.2.

Bij besluit van 17 juli 2018 heeft het college de gevraagde bijzondere bijstand voor het therapeutisch zwemmen toegekend.

1.3.

Appellant heeft bij brief van 20 augustus 2018 bezwaar gemaakt tegen het besluit van

17 juli 2018 voor zover daarbij niet is beslist op de eveneens op 9 juli 2018 gevraagde individuele inkomenstoeslag. Appellant heeft dit opgevat als een weigering om een individuele inkomenstoeslag toe te kennen.

1.4.

Bij besluit van 24 augustus 2018 heeft het college appellant een individuele inkomenstoeslag toegekend.

1.5.

Bij besluit van 11 september 2018 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

17 juli 2018 niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat met de toekenning van de individuele inkomenstoeslag op 24 augustus 2018 binnen de reguliere beslistermijn is beslist. Daarmee is het belang bij een beoordeling van het besluit van 17 juli 2018 komen te vervallen.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 15 februari 2019 met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep tegen het besluit van 11 september 2018 kennelijk ongegrond verklaard. Appellant heeft verzet gedaan en aangevoerd dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en dat hij belang heeft bij de vergoeding van de proceskosten in bezwaar. De rechtbank heeft het verzet bij de aangevallen uitspraak met toepassing van artikel 8:55, zevende lid, van de Awb ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het college het primaire besluit van 17 juli 2018 niet heeft herroepen, zodat geen grond bestaat voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Hetgeen appellant in verzet heeft aangevoerd kan niet tot een andersluidend oordeel leiden.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij aangevoerd - kort weergegeven - dat het college op 24 augustus 2018 tegemoet gekomen is aan alle bezwaren, zodat de kosten voor rechtsbijstand vergoed moeten worden, hetgeen niet is gebeurd. Een doorbreking van het appelverbod is daarom gerechtvaardigd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 8:104, tweede lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb.

4.2.

De aangevoerde grond is geen aanleiding om het in artikel 8:104, tweede lid, van de Awb omschreven appelverbod buiten toepassing te laten. Een evidente schending van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk en onafhankelijk proces waarborgen, op grond waarvan volgens vaste rechtspraak doorbreking van het appelverbod gerechtvaardigd is, doet zich immers hier niet voor. De omstandigheid dat appellant zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank is daarvoor onvoldoende. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI6874.

4.3.

Gelet op het voorgaande dient de Raad zich onbevoegd te verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2021.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) M. Zwart