Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
18/2592 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2735, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen bijstand. Hennepteelt. Geslaagd beroep op onschuldpresumptie. Aansluiten oordeel Belgische strafrechter. Geringe uitgaven voor levensonderhoud. Verklaringen dochter en schoonzoon. Onvoldoende grondslag. Afgewezen aanvraag na de ontmanteling hennepkwekerij. -Appellant is door de Belgische strafrechter veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij twee hennepplantages in een kortere periode dan het college had aangenomen. Gelet op het Belgische vonnis kan de Raad niet zonder twijfel te doen ontstaan over de juistheid van de bewezenverklaarde ingekorte periode tot een ander oordeel komen dan de strafrechter. Voor de periode waarin de exploitatie van de hennepkwekerij bewezen is verklaard heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij recht had op aanvullende bijstand. Hij heeft zijn betrokkenheid bij de hennepplantages steeds ontkend en heeft geweigerd om openheid van zaken te geven over de afspraken die hij met de mededaders heeft gemaakt over een beloning voor zijn werkzaamheden. Omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen is ook de individuele inkomenstoeslag terecht ingetrokken en teruggevorderd. - Bij de intrekking op grond van de geringe uitgaven voor levensonderhoud had het college de daarover afgelegde verklaringen van de dochter en schoonzoon niet terzijde dienen te schuiven. Aan de schending van de inlichtingenverplichting in die zin ontbreekt een voldoende feitelijke grondslag. - Over de intrekking van bijstand over negen maanden na de ontmanteling van de hennepkwekerij hebben appellanten geen openheid van zaken gegeven over hun financiële positie zodat het recht ook over deze periode niet kan worden vastgesteld. - Appellant was tot acht maanden voor de aanvraag betrokken bij een hennepexploitatie van twee grote hennepplantages en nu hij daarover geen openheid van zaken heeft gegeven over zijn betrokkenheid daarbij, kan de bijstandsbehoevendheid niet worden vastgesteld zodat de aanvraag terecht is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2021/265
ABkort 2021/434
JWWB 2021/198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2592 PW, 19/1838 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 22 juni 2021

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 mei 2018, 17/7345 (aangevallen uitspraak 1) en van 15 januari 2019, 18/6584 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.H. Acun, destijds advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. Mr. R. van ’t Land, advocaat, heeft namens appellanten hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. Voor appellanten is mr. Van ’t Land verschenen in beide zaken. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van Schijndel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 2004, met een onderbreking in 2011, bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Eind 2015 heeft een inkomensconsulent, werkzaam voor het dagelijks bestuur, een heronderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader hebben appellanten hun bankafschriften overgelegd over 2015 en over de periode van 1 september 2016 tot eind december 2016. Uit het onderzoek is gebleken dat de bankafschriften weinig uitgaven aan levensonderhoud en uitgaven voor het tanken laten zien, terwijl appellanten wel een auto op naam hebben. De inkomensconsulent heeft aan appellanten verzocht om hierover duidelijkheid te verschaffen. Ter verklaring hebben appellanten gewezen op het geld dat zij via de bank ten behoeve van de boodschappen en voor het tanken hebben overgemaakt naar hun dochter. Op 31 mei 2017 heeft een gesprek met appellanten plaatsgevonden. Daarnaast heeft de inkomensconsulent informatie over de auto van appellanten opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer en is informatie verkregen over de aanhouding en inverzekeringstelling van appellant en een daarop volgende strafrechtelijke procedure in België in verband met een drugsgerelateerd delict. Bij besluit van 14 juli 2017 heeft het dagelijks bestuur de bijstand opgeschort en opnieuw aan appellanten gevraagd om gegevens te overleggen over onder meer de uitgaven voor levensonderhoud en voor benzine. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 29 augustus 2017.

1.3.

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 1 september 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 oktober 2017 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellanten met ingang van 1 september 2016 ingetrokken. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellanten geen duidelijkheid hebben verschaft en niet met voldoende deugdelijke bewijsstukken hebben onderbouwd hoe zij in hun levensonderhoud hebben voorzien, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Er is sprake van opmerkelijk lage uitgaven voor levensonderhoud (€ 145 per maand tegenover het bedrag van € 423,10 waarvan het Nibud uitgaat) en uitgaven voor benzinekosten voor de tot 7 maart 2017 op naam van appellante staande auto ontbreken, terwijl met die auto gemiddeld 73.416 km per jaar werd gereden. Verder is appellant op 4 juli 2017 aangehouden en gedetineerd in verband met mogelijke betrokkenheid bij een drugsdelict en hiervan hebben appellanten geen mededeling gedaan.

1.4.

Appellanten hebben op 29 september 2017 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. De inkomensconsulent heeft appellanten verzocht om een aantal gegevens te overleggen, waaronder bankafschriften, bewijzen van schulden, bewijsstukken waaruit blijkt hoe zij in hun levensonderhoud hebben voorzien, en het strafdossier van appellant. Op 20 december 2017 heeft een gesprek met appellanten plaatsgevonden. Appellanten hebben daarbij tegenover de inkomensconsulent en een handhavingsmedewerker verklaard dat zij geen inkomsten hebben. Zij hebben € 1.000,- geleend van de broer van appellant zonder daar iets van op papier te zetten. Hun dochter koopt af en toe boodschappen voor hen. De auto die zij eerder in bezit hadden, hebben zij voor € 500,- verkocht aan hun dochter, maar ze maken soms nog wel gebruik van de auto. Appellant ontkent dat hij betrokken was bij de feiten die hem in België ten laste zijn gelegd.

1.5.

Appellant is bij vonnis van de rechtbank in Antwerpen van 19 januari 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en een geldboete vanwege zijn betrokkenheid bij cannabisplantages en poging tot diefstal van elektriciteit in [gemeente 1] in de periode tussen 15 oktober 2016 en 4 januari 2017 en in [gemeente 2] in de periode tussen 15 november 2016 en 25 januari 2017. Op 27 maart 2018 en 19 april 2018 hebben opnieuw gesprekken met appellanten plaatsgevonden, waarbij is gesproken over de inhoud van het vonnis. Appellant heeft daarbij ontkend dat hij iets te maken had met de hennepteelt. Hij heeft verklaard dat hij alleen bezoeken heeft gebracht aan de door zijn zoon gebruikte bedrijfspanden en dat hij niet wist wat de andere mensen aan het doen waren. Hij heeft met die hennepteelt ook niets verdiend. Appellant is niet in beroep gegaan tegen het vonnis. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het Rapport handhaving van 19 april 2018. Hierin is geconcludeerd dat de aanvraag dient te worden afgewezen. Voorts is geconcludeerd dat aan appellanten in de periode van 30 april 2016 tot 1 september 2016 ten onrechte bijstand is verstrekt.

1.6.

Bij besluit van 30 april 2018 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen. Bij besluit van eveneens 30 april 2018 heeft het dagelijks bestuur het aan appellanten verstrekte voorschot van € 2.341,62 netto van hen teruggevorderd. Deze besluiten berusten op de grondslag dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat appellanten geen openheid van zaken hebben gegeven over de op hennepteelt gerichte activiteiten van appellant.

1.7.

Bij besluit van 17 mei 2018 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellanten over de periode van 30 april 2016 tot 1 september 2016 en de individuele inkomenstoeslag over 2016 en 2017 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.477,70 bruto en de individuele inkomenstoeslag ter hoogte van € 1.090,- netto van hen teruggevorderd. Dit besluit berust op de grondslag dat uit het vonnis van de Belgische strafrechter volgt dat aannemelijk is dat sinds 30 april 2016 meerdere oogsten hebben plaatsgevonden en dat appellant daaruit inkomsten heeft gehad. Omdat appellant geen openheid van zaken geeft, kan het recht op bijstand vanaf 30 april 2016 niet meer worden beoordeeld.

1.8.

In het kader van nader onderzoek naar aanleiding van het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 17 mei 2018 heeft het dagelijks bestuur de bankafschriften van appellanten over de periode van 30 april 2016 tot 1 september 2016 opgevraagd. Bij besluit van 15 augustus 2018 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 30 april 2018 en van 17 mei 2018 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het dagelijks bestuur aan de intrekking van de bijstand over de periode van 30 april 2016 tot 1 september 2016 ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het dagelijks bestuur wijst daarbij op de huur per april 2016 van de loods in België, waarin hennep is gevonden, op het gebrek aan uitgaven voor levensonderhoud ( € 210,- per maand van mei 2016 tot en met juli 2016 als rekening wordt gehouden met betalingen voor ‘boodschappen’ aan de dochter ten opzichte van de Nibud-norm € 423,10 per maand) en op de lage uitgaven die uit de bankafschriften blijken voor benzine vergeleken met het aantal gereden kilometers van de op naam van appellanten staande auto. De situatie is volgens het dagelijks bestuur zeer vergelijkbaar met de periode vanaf 1 september 2016, waarover het dagelijks bestuur de bijstand al heeft ingetrokken. Aan de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering van het voorschot heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van bijstandbehoevende omstandigheden. Zij hebben niet door middel van bijvoorbeeld een deugdelijke boekhouding kunnen aantonen welke verdiensten zij hebben gehad met de hennepkwekerijen.

1.9.

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 5 december 2017 de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 2016 tot en met 30 juni 2017 teruggevorderd. Dit terugvorderingsbesluit valt buiten de omvang van het geding.

1.10.

Het dagelijks bestuur heeft appellanten per 12 juli 2019 weer bijstand verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

I. Intrekking over periode van 30 april 2016 tot 1 september 2016 (bestreden besluit 2)

4.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat appellant alleen is veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij de hennepplantages in de periode van 15 oktober 2016 tot 25 januari 2017. Er is geen sprake geweest van enige geslaagde oogst en er is door de Belgische rechter dan ook geen ontnemingsmaatregel opgelegd. Door niettemin aan te nemen dat appellant vanaf 30 april 2016 inkomsten uit de hennepkwekerijen heeft gehad miskent de rechtbank de overwegingen van de Belgische strafrechter. Dit is in strijd met de onschuldpresumptie als neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.2.

Het dagelijks bestuur heeft voor zijn standpunt gewezen op de uitspraak van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1384. Dit betrof een situatie waarbij de strafzaak tegen de betrokkene wegens gebrek aan bewijs was geseponeerd. De Raad heeft in die uitspraak het volgende overwogen.

“4.4.7[. … ]Echter, is niet gebleken van welk strafbaar feit, waarop het sepot ziet, betrokkene aanvankelijk werd verdacht in de zin van de Opiumwet. Evenmin is uit het sepot op te maken wat de redenen voor de OvJ (Officier van Justitie) zijn geweest om in het geval van betrokkene over te gaan tot sepot wegens gebrek aan bewijs. In het algemeen geldt dat de OvJ om verschillende redenen tot een sepot kan besluiten. Dat het in dit geval zou kunnen gaan om bewijsproblemen bij het strafrechtelijk vereiste van ‘opzet’, zoals het dagelijks bestuur heeft aangevoerd, is niet uit te sluiten. In dit verband is tevens van belang dat, … in de bestuursrechtelijke procedure minder strenge bewijsregels gelden dan in de strafrechtelijke procedure. Voor een besluit tot intrekking van de bijstand is slechts vereist dat aannemelijk is dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden waaraan enige mate van twijfel, anders dan in het strafrecht, niet in de weg hoeft te staan.”

4.3.

De vergelijking met de zaak waarin de Raad de onder 4.2. genoemde uitspraak heeft gedaan gaat in dit geval niet op. Uit het vonnis van de Belgische rechter blijkt dat de rechter de periodes, waarin het “uitbaten” van twee hennepplantages plaatsvond, in de tenlastelegging heeft ingekort en heeft bewezen verklaard. De rechter komt tot de inkorting “gelet op de verklaringen van ..., … en de eigenaar van de loods, alsmede op grond van de vaststellingen van de verbalisanten…”. Gelet op de inhoud van het Belgische vonnis kan de Raad in dit geval niet, zonder twijfel te doen ontstaan over de juistheid van de bewezenverklaarde ingekorte periode, en dus zonder in strijd te handelen met artikel 6, tweede lid, van het EVRM, tot een ander oordeel komen dan de strafrechter over de vraag of appellant in de periode van 1 april 2016 tot 15 oktober 2016 betrokken was bij een hennepkwekerij. De Raad ziet daarom, ondanks de verschillen in bewijsrecht tussen het bestuursrecht en het strafrecht, in dit geval geen ruimte om af te wijken van het oordeel van de strafrechter. De Raad zal zich daarom bij dat oordeel aansluiten.

4.4.

Appellanten hebben over hun geringe uitgaven voor levensonderhoud en de geringe uitgaven voor tanken in deze periode aangevoerd dat hun kinderen betalingen doen ten behoeve van hun levensonderhoud en voor het tanken. De dochter en schoonzoon van appellanten hebben verklaard dat zij met regelmaat gebruikmaken van de betreffende auto. Volgens appellanten is het voor hen bijna onmogelijk om aan te tonen wanneer, door wie en hoeveel betaald werd voor het tanken. Er is aan hen nooit de verplichting opgelegd om aan te tonen hoe zij de bijstandsuitkering hebben besteed. Deze beroepsgrond slaagt. Het dagelijks bestuur heeft miskend dat het bij een belastend besluit, zoals hier de intrekking van bijstand, op de weg van het bestuursorgaan ligt om aannemelijk te maken dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Het dagelijks bestuur had onder de gegeven omstandigheden niet zonder meer de verklaringen van appellanten en van de dochter en van schoonzoon over de geringe kosten van levensonderhoud en het gebruik van de auto door anderen terzijde dienen te schuiven. Nu van concrete aanwijzingen voor een andere inkomstenbron in deze periode is niet gebleken, en evenmin door het dagelijks bestuur concrete aanwijzingen zijn gesteld, heeft het dagelijks bestuur niet aan de op het bestuursorgaan rustende bewijslast voldaan.

II. Intrekking per 1 september 2016 (bestreden besluit 1)

4.5.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 september 2016 (datum van de intrekking) tot en met 1 september 2017 (datum van het intrekkingsbesluit).

4.6.

Wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 geldt ook voor de periode van 1 september 2016 tot 15 oktober 2016. Appellant is veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij twee hennepplantages in de periode van 15 oktober 2016 tot 25 januari 2017 en niet voor de periode daaraan voorafgaand. Ook heeft het dagelijks bestuur niet aannemelijk gemaakt dat appellanten over de periode van 1 september 2016 tot 15 oktober 2016 de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door onvoldoende duidelijkheid te geven over hun financiële situatie.

IIA. Intrekking over de periode van 15 oktober 2016 tot 25 januari 2017 (bestreden besluit 1)

4.7.

Voor de periode van 15 oktober 2016 tot 25 januari 2017 ligt dit anders. Met het Belgische strafvonnis ligt de betrokkenheid van appellant bij het exploiteren van twee hennepplantages in deze periode vast. Appellant heeft aangevoerd dat de plantages zijn opgerold voordat er geoogst kon worden zodat er niets mee is verdiend. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn werkzaamheden. Bij de exploitatie van een hennepkwekerij moet ervan worden uitgegaan dat, ook indien nog geen oogst heeft plaatsgevonden, appellant in het kader van de exploitatie van de hennepkwekerij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht waarmee inkomsten zijn of zouden kunnen worden verworven. Appellant heeft geen deugdelijke administratie bijgehouden van de omvang en de aard van deze werkzaamheden. Dit komt voor zijn risico en rekening. Bij schending van de inlichtingenverplichting ligt het op de weg van de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij wel de juiste inlichtingen had verschaft, een (aanvullend) recht op bijstand zou hebben gehad. Appellanten zijn hierin niet geslaagd. Appellant heeft zijn betrokkenheid bij de hennepplantages steeds ontkend en heeft geweigerd om openheid van zaken te geven over de afspraken die hij met de mededaders heeft gemaakt over een beloning voor zijn werkzaamheden. Hierdoor kan het recht op bijstand over de periode van 15 oktober 2016 tot 25 januari 2017 niet worden vastgesteld.

IIB. Intrekking over de periode vanaf 25 januari 2017 (bestreden besluit 1)

4.8.

Voor deze periode, die begint nadat de hennepkwekerijen zijn ontmanteld, geldt dat de bijstandverlenende instantie kan vaststellen dat ook na de datum van het beëindigen van de hennepkwekerij nog onvoldoende inzicht bestaat in de financiële positie van de betrokkene om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 19 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1591). Appellanten hebben geen openheid van zaken gegeven over hun activiteiten en (eventuele) beloning voor de werkzaamheden die verband houden met de kwekerijen. Hierdoor heeft het dagelijks bestuur geen inzicht in de financiële positie van appellanten in de periode van 25 januari 2017 tot en met 1 september 2017 zodat het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld.

III. Intrekking van de individuele inkomenstoeslag 2016 en 2017 (bestreden besluit 2)

4.9.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.7 en 4.8 volgt tevens dat het dagelijks bestuur op goede gronden de individuele inkomenstoeslag van appellanten over 2016 en 2017 heeft ingetrokken en teruggevorderd. Nu appellanten vanaf 15 oktober 2016 hun inlichtingenverplichting hebben geschonden en geen inzicht hebben gegeven in de inkomsten die zij vanaf die datum (mogelijk) hebben gehad, is niet bekend wat de totale inkomsten van appellanten zijn geweest in 2016 en 2017. Aangezien het recht op de individuele inkomenstoeslag afhankelijk is van de hoogte van het inkomen in de betreffende jaren kan het recht op deze toeslagen niet worden vastgesteld.

IV. Afwijzing aanvraag om bijstand van 29 september 2017 en terugvordering voorschot (bestreden besluit 2)

4.10.

Bij de afwijzing van de aanvraag om bijstand loopt de te beoordelen periode van 29 september 2017 (datum van de aanvraag) tot en met 30 april 2018 (datum van het afwijzingsbesluit). De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 2 terecht overwogen dat het bij een aanvraag om bijstand op de weg van de aanvrager ligt om aan te tonen dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Appellanten zijn hierin niet geslaagd. Appellant was tot ongeveer acht maanden voor de aanvraag betrokken bij de exploitatie van twee grote hennepplantages, en nu appellant geen openheid van zaken heeft gegeven over zijn betrokkenheid bij en werkzaamheden voor de hennepplantages en (eventuele) inkomsten daaruit, kan niet worden vastgesteld of appellanten in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. Dit betekent ook dat het dagelijks bestuur het bij de aanvraag toegekende voorschot heeft mogen terugvorderen.

Conclusie

4.11.

De rechtbank heeft wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.7 niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep in zoverre slaagt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaren en deze besluiten vernietigen voor zover het de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 30 april 2016 tot 1 september 2016 en de intrekking van bijstand over de periode van 1 september 2016 tot 15 oktober 2016 betreft. Zoals vermeld onder 1.9 valt het besluit van 5 december 2017 over de terugvordering van bijstand over de periode van 1 september 2016 tot en met 30 juni 2017 buiten de omvang van het geding. Dit neemt niet weg dat het gegeven dat de intrekking van bijstand over de periode van 1 september 2016 tot 15 oktober 2016 geen stand houdt wel gevolgen zal hebben voor het bedrag van deze terugvordering. Het dagelijks bestuur zal een nieuwe beslissing op de bezwaren moeten nemen en daarbij een nieuwe berekening van de terugvordering moeten maken op basis van het uitgangspunt dat alleen de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 15 oktober 2016 tot en met 30 juni 2017, de verstrekte individuele inkomenstoeslag over 2016 en 2017 en het bij de nieuwe aanvraag toegekende voorschot kunnen worden teruggevorderd.

4.12.

Nu het slechts nog gaat om een financiële uitwerking, ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot definitieve geschilbeslechting. Wel bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze worden begroot op € 1.068,- in bezwaar, € 2.136,- in beroep en € 1.602,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 4.806,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover deze betrekking heeft op de intrekking van bijstand over de periode van 1 september 2016 tot 15 oktober 2016;

  • -

    verklaart het beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 gegrond en vernietigt het besluit van 18 oktober 2017 in zoverre;

  • -

    herroept het besluit van 1 september 2017 in zoverre;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak 2 voor zover deze betrekking heeft op de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 30 april 2016 tot 1 september 2016;

  • -

    verklaart het beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 gegrond en vernietigt het besluit van 15 augustus 2018 in zoverre;

  • -

    herroept het besluit van 17 mei 2018 in zoverre;

  • -

    draagt het dagelijks bestuur op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren tegen de besluiten van 1 september 2017 en 17 mei 2018 met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Raad;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraken voor het overige;

  • -

    veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 4.806,-;

  • -

    bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 346,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en A.M. Overbeeke en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2021.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) B. van Dijk