Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
19/5081 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Het oordeel van de rechtbank dat de medische rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het deskundigenrapport in samenhang bezien het standpunt van het Uwv over de belastbaarheid van appellant kunnen dragen, wordt onderschreven. Geen reden is om te twijfelen aan de belastbaarheid zoals door de verzekeringsarts is vastgesteld in de FML. Voldoende gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5081 ZW

Datum uitspraak: 24 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

18 november 2019, 18/2311 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als projectleider/administratief medewerker. Op 19 september 2016 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op het spreekuur gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 juli 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 97,60% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 14 september 2017 vastgesteld dat appellant met ingang van 18 oktober 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 september 2017. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast. Op basis van de gewijzigde FML van 20 februari 2018 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuwe functieselectie verricht en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 87,63% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Bij brief van 20 maart 2018 heeft het Uwv appellant op de hoogte gesteld van het voornemen het besluit van 14 september 2017 te herzien in die zin dat appellant per 21 april 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.4.

Appellant heeft zijn zienswijze gegeven op dit voornemen en nadere medische informatie ingebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben nader gerapporteerd op 1 mei 2018 onderscheidenlijk 2 mei 2018. Bij besluit van 3 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 september 2017 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en bepaald dat appellant met ingang van 21 april 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van zijn maatmaninkomen.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de klinisch neuropsycholoog dr. J.F.M. de Jonghe benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 25 maart 2019 rapport uitgebracht. De rechtbank heeft overwogen dat zich geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan om de conclusies van de deskundige niet te volgen. De deskundige beschikt over de neuropsychologische expertise en heeft in zijn rapport zijn onderzoek en visie gemotiveerd uiteengezet. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de medische rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in samenhang bezien met het deskundigenrapport het standpunt van het Uwv over de belastbaarheid van appellant dragen. De lichte cognitieve stoornissen die uit het onderzoek van de klinisch geriater naar voren zijn gekomen, zijn meegewogen. Dat appellant het niet eens is met de vastgestelde beperkingen in de FML van 20 februari 2018 kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 12 maart 2018 functies geselecteerd voor appellant en een andere arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 2 mei 2018 nader gemotiveerd waarom de functies geschikt zijn.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht, omdat geen tolk aanwezig was. Het was voor appellant daardoor niet mogelijk om een gesprek aan te gaan. Ook het rapport van de deskundige is onbruikbaar omdat geen of beperkt onderzoek is verricht vanwege de taalbarrière. Bovendien is het onderzoek van de deskundige niet representatief, omdat dit een momentopname betreft. Appellant heeft verder herhaald dat met zijn psychische en lichamelijke beperkingen onvoldoende rekening is gehouden. Hij is niet in staat om arbeid in enige omvang te verrichten. Appellant heeft last van somberheid, vergeetachtigheid, concentratieproblemen en hartklachten (poliepen). Hij heeft al jaren last van een ernstige depressie en het gaat alleen maar slechter. De behandelingen hebben nauwelijks effect gehad. Verder heeft appellant aangevoerd dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de taalbarrière niet heeft meegenomen in de geselecteerde functies en dat deze functies, gelet op zijn beperkingen, niet passend zijn.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

Voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest omdat er geen tolk bij aanwezig is geweest, biedt het dossier geen aanknopingspunten. Uit de medische rapporten blijkt dat de dochter van appellant soms heeft gezorgd voor vertaling, maar in het rapport van de verzekeringsarts staat ook dat appellant zich in het Nederlands redelijk goed kan verwoorden en dat appellant ook met de arts in gesprek is geweest nadat de dochter naar de wachtruimte is vertrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft opgemerkt dat appellant de Nederlandse taal in licht beperkte mate beheerst maar dat hij adequaat antwoord op zijn vragen heeft gegeven en zelfstandig het gesprek heeft gevoerd. Gedurende de gehele besluitvormingsprocedure is door appellant niet te kennen gegeven dat sprake was van een communicatieprobleem. Appellant heeft zich bij de hoorzitting bovendien laten bijstaan door zijn gemachtigde en ook daar is niet naar voren gebracht dat er problemen in de communicatie waren. Pas in hoger beroep wordt op de vermeende taalbarrière gewezen. Tot slot is van belang dat de bevindingen van de verzekeringsartsen over beheersing van de Nederlandse taal overeenkomen met wat appellant zelf op de vragenlijst in het kader van re-integratie heeft ingevuld, namelijk dat hij de Nederlandse taal mondeling “redelijk-goed” beheerst.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusie van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen en dat slechts in bijzondere gevallen aanleiding bestaat daarvan af te wijken. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat zich geen feiten of omstandigheden voordoen om van deze lijn af te wijken. De deskundige heeft beschikking gehad over de relevante medische informatie, heeft op zorgvuldige wijze onderzoek gedaan en daarvan op inzichtelijke wijze verslag gedaan. De stelling van appellant dat het rapport van de deskundige onbruikbaar is, wordt niet gevolgd. De deskundige heeft vermeld dat appellant zich matig gemotiveerd toont tijdens het onderzoek en dat sprake is van een taalbarrière die van invloed is op de testafname waardoor beperkt onderzoek mogelijk was. Volgens de deskundige was het begrip van de testinstructies aanvankelijk goed, maar heeft appellant desondanks geregeld gereageerd alsof de testinstructies hem onbekend waren. Een van de tests is in het Turks afgenomen maar ook daar lijkt hij moeite mee te hebben. Van belang is bovendien dat de deskundige twee positieve performance validity tests heeft afgenomen, waarbij zeer afwijkende scores zijn vastgesteld. De uitslagen lijken volgens de deskundige inconsistent met de betere klinische presentatie. De deskundige wijst erop dat appellant zeer waarschijnlijk beter kan dan hij laat zien. Hij acht de kans aanwezig dat onderpresteren en overrapporteren ook aanwezig waren op de datum in geding. Bij het deskundigenonderzoek is niet van de door appellant gestelde geheugenproblematiek gebleken. De enkele stelling dat het deskundigenonderzoek slechts een momentopname is, leidt niet tot een ander oordeel.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank dat de medische rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het deskundigenrapport in samenhang bezien het standpunt van het Uwv over de belastbaarheid van appellant kunnen dragen, wordt onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 6 mei 2019 voldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat de gestelde beperkingen in de FML van 20 februari 2018 ook aan de orde zijn met inachtneming van de conclusies die in het NPO naar voren zijn gekomen. Over de door appellant ingediende informatie van de psycholoog en psychiater van 6 maart 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 22 september 2020 vermeld dat deze informatie geen aanleiding geeft om de belastbaarheid van appellant te wijzigen. De genoemde klachten en daaruit voortvloeiende belemmeringen zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgebreid onderzocht in bezwaar en per de datum in geding is hiermee reeds rekening gehouden. Deze toelichting wordt afdoende geacht.

4.5.

Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat er geen reden is om te twijfelen aan de belastbaarheid zoals door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld in de FML van 20 februari 2018. Er wordt geen aanleiding gezien voor het ter zitting van de Raad gedane verzoek om een deskundige te benoemen.

4.6.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Over de grond dat de taalbarrière niet is meegenomen bij beoordeling door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, wordt overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 12 maart 2020 gemotiveerd uiteen heeft gezet dat en waarom een beperkte schriftelijke of leesvaardigheid geen knelpunt vormt in de geselecteerde functies. Hierbij is mede van belang dat uit de functieomschrijvingen van het Resultaat functiebeoordeling blijkt dat de geselecteerde functies eenvoudige productiematige functies zijn, met op een eenvoudig niveau voorkomende Nederlandse taal, die een persoon met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans geacht wordt te kunnen vervullen.1 Er is geen reden om aan te nemen dat dit voor appellant niet geldt.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2021.

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) L. Winters

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1509.