Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
18/6282 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:8865, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-, WIA-uitkering en toeslag terecht ingetrokken. Geen privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het door het Uwv verrichte onderzoek naar (het bestaan van) de dienstbetrekking van appellante bij [bedrijf] en de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte uitkeringen is zorgvuldig en toereikend geweest. Appellante is er onvoldoende in geslaagd om door middel van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij wel werkzaamheden in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met [werkgever] heeft verricht. Geen sprake van strijd met de onschuldpresumptie, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 2, EVRM. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/6282 WIA, 18/6431 ZW, 19/1582 WIA en 19/1975 ZW

Datum uitspraak: 23 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 oktober 2018, 17/6160 en 18/1817 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.J. Hüsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft schriftelijk haar zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 17/1922 en 18/6298 van [X] , deels via beeldbellen, plaatsgevonden op 12 mei 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel. Nadien zijn de zaken gesplitst en is in de zaken 17/1922 en 18/6298 afzonderlijk uitspraak gedaan.

Appellante heeft ter zitting een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft zich per 23 december 2013 ziek gemeld vanuit een gesteld dienstverband bij [werkgever] , zijnde een dienstverband voor bepaalde tijd van 1 juli 2013 tot 1 juli 2014. Appellante zou werkzaamheden als accountmanager hebben verricht. Bij besluit van 13 januari 2014 is aan appellante met ingang van 1 januari 2014 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 4 oktober 2015 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 19 november 2015 heeft het Uwv appellante met ingang van 21 december 2015 een WGA-vervolguitkering toegekend. Op 6 januari 2016 heeft appellante een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangevraagd, waarna bij besluit van 7 januari 2016 aan appellante met ingang van 21 december 2015 een toeslag is toegekend.

1.2.

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het Uwv de uitbetaling van de WIA-uitkering van appellante en de betaling van de toeslag geschorst per 1 februari 2017.

1.3.

Naar aanleiding van een verzoek van een medewerker bezwaar heeft de Directie Handhaving van het Uwv onderzoek gedaan naar een vermeende dienstbetrekking van [X] bij [werkgever] . Naar aanleiding van de uitkomsten van dat onderzoek en omdat appellante voorkwam op de personeelslijst van [werkgever] , is door het Uwv ook een onderzoek ingesteld naar haar dienstverband en de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkeringen. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport werknemersfraude “Arizona” van 20 februari 2017. Op grond van de resultaten van dat onderzoek is geconcludeerd dat niet is gebleken dat appellante werkzaamheden heeft verricht bij [werkgever] , waardoor het bestaan van een dienstbetrekking tussen appellante en [werkgever] niet aannemelijk is. In het aanvullend onderzoeksrapport “Arizona” van 11 oktober 2017 is het Uwv tot de conclusie gekomen dat het niet aannemelijk is dat appellante in december 2013 in dienst van [werkgever] de bedrijven [bedrijf 1] [bedrijf 2] , [bedrijf 3] heeft bezocht.

1.4.

Bij besluit van 1 maart 2017 heeft het Uwv de WIA-uitkering en de toeslag met ingang van 21 december 2015 ingetrokken.

1.5.

Bij besluit van 6 maart 2017 heeft het Uwv de ZW-uitkering over de periode van 1 januari 2014 tot en met 21 december 2015 ingetrokken.

1.6.

Bij besluit van 8 maart 2017 is de onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over de periode van 1 januari 2014 tot en met 21 december 2015 ter hoogte van € 64.731,- van appellante teruggevorderd.

1.7.

Bij besluit van 9 maart 2017 is de onverschuldigd betaalde WIA-uitkering en toeslag over de periode van 21 december 2015 tot en met 28 februari 2017 ter hoogte van € 15.796,93 van appellante teruggevorderd.

1.8.

Bij beslissing op bezwaar van 14 september 2017 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het (schorsings)besluit van 10 januari 2017 ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de (intrekkings)besluiten van 1 maart 2017 en 6 maart 2017 zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend. Het hiertegen ingestelde beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 17/6160.

1.9.

Op 18 mei 2017 heeft appellante verzocht om de besluiten van 1 maart 2017 en 6 maart 2017 te herzien.

1.10.

Bij besluit van 24 oktober 2017 heeft het Uwv het verzoek om herziening van het besluit van 1 maart 2017 afgewezen.

1.11.

Bij besluit van 25 oktober 2017 heeft het Uwv het verzoek om herziening van het besluit van 6 maart 2017 afgewezen.

1.12.

Bij beslissing op bezwaar van 2 maart 2018 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 1 maart 2017, 6 maart 2017, 24 oktober 2017 en 25 oktober 2017 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 18/1817.

1.13.

Aan de bestreden besluiten ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat sprake is van een gefingeerd dienstverband van appellante bij [werkgever] . Dat betekent dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, waardoor appellante niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen en dus geen aanspraak op een ZW-uitkering had en ook niet op een WIA-uitkering en een toeslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

2.1.

Over bestreden besluit 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor het Uwv voldoende duidelijke aanwijzingen waren dan wel een gegrond vermoeden was dat sprake was van een gefingeerd dienstverband van appellante met [werkgever] . Er was al onderzoek gedaan naar de dienstbetrekking van [X] met [werkgever] en de uitkomsten daarvan bieden voldoende grondslag voor een onderzoek naar het dienstverband van appellante. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht de bezwaren tegen de besluiten van 1 maart 2017 en 6 maart 2017 niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

2.2.

Over bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat in geschil is of het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellante niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot [werkgever] en daarom ten tijde van haar ziekmelding per 23 december 2013 niet was verzekerd voor de ZW. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen appellante en [werkgever] en dat appellante er niet in geslaagd is om met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat die dienstbetrekking wel bestond. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in de onderzoeksrapporten van 20 februari 2017 en 11 oktober 2017 is vermeld dat geen omzet van [werkgever] bekend is over de periode waarin appellante en [X] daar werkzaam zouden zijn geweest. Verder heeft appellante niet aangetoond dat zij loon heeft ontvangen van [werkgever] . De enkele verklaring dat het salaris contant is betaald, is niet overtuigend nu appellante daarvan zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd. Ook is gebleken dat de omschrijving van de werkzaamheden die appellante zou hebben verricht voor [werkgever] ten tijde van het gesprek op 21 december 2016 op onderdelen niet overeenkomt met de omschrijving die appellante tijdens het telefoongesprek met een arbeidsdeskundige op 13 november 2014 heeft gegeven in het kader van de eerstejaarsziektewetbeoordeling. Appellante heeft geen verklaring gegeven voor de wezenlijk verschillende taakbeschrijvingen die zij heeft gegeven. Verder heeft de rechtbank diverse verschillen tussen haar verklaringen en die van [X] geconstateerd, waaruit mede volgt dat niet aannemelijk is dat appellante feitelijk arbeid heeft verricht voor [werkgever] . Ook bestaat onduidelijkheid over de leidinggevende van appellante en [X] . Tot slot biedt het feit dat [werkgever] stond ingeschreven op het adres van een woning die was verhuurd aan derden steun voor de opvatting dat sprake is van een gefingeerd dienstverband.

2.3.

De rechtbank heeft verder overwogen dat door appellante tegen de hoogte van de terugvordering geen gronden zijn ingediend. Appellante heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan het Uwv wegens dringende redenen had moeten afzien van de gehele of gedeeltelijke terugvordering van de ZW- en WIA-uitkering en de toeslag.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep – samengevat – aangevoerd dat het onderzoek van het Uwv ontoereikend was. Volgens appellante was het Uwv vooringenomen. Verder stelt appellante zich op het standpunt dat zij voldoende tegenbewijs heeft geleverd voor haar standpunt dat wel sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met [werkgever] . Daarbij wijst zij op de vrijspraak door de strafrechter op 22 januari 2020.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.

In het incidenteel hoger beroep heeft het Uwv betoogd dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door ten onrechte overwegingen te wijden aan de terugvordering, terwijl daartegen geen bezwaar is gemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Allereerst is in hoger beroep tussen partijen in geschil of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het Uwv op goede gronden het bezwaar tegen het schorsingsbesluit van

10 januari 2017 ongegrond en de bezwaren tegen de intrekkingsbesluiten van 1 maart 2017 en 6 maart 2017 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat er voor het Uwv voldoende duidelijke aanwijzingen waren dan wel een gegrond vermoeden was dat sprake was van een gefingeerd dienstverband van appellante met [werkgever] en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden onderschreven. Ook het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 1 maart 2017 en 6 maart 2017 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn wordt onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep onvoldoende aangevoerd voor een andersluidend oordeel.

4.3.

Voorts is in hoger beroep tussen partijen in geschil of de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [werkgever] in de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013.

4.4.

Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Voor de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst dient de vraag te worden beantwoord welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie onder meer de uitspraken van de Hoge Raad van 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887, 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926 en HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746). Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.

4.5.

Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren (vergelijk de uitspraak van 17 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1479). Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellante en [werkgever] . Bij de vaststelling van de feiten die daarvoor van belang zijn, komt in beginsel een groot gewicht toe aan de processen-verbaal van bevindingen van één of meer opsporingsambtenaren en aan de verklaring van een betrokkene die ten overstaan van één of meer opsporingsambtenaren is afgelegd en door de betrokkene is ondertekend (vergelijk de uitspraak van 29 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1189). Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellante ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de ZW en de Wet WIA heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellante de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.6

Voorop staat dat het Uwv de herzieningsverzoeken van appellante na een inhoudelijke beoordeling heeft afgewezen. Gelet hierop zal de Raad de inhoudelijke afwijzing toetsen aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden.

4.7.

Geoordeeld wordt dat het door het Uwv verrichte onderzoek naar (het bestaan van) de dienstbetrekking van appellante bij [werkgever] en de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte uitkeringen zorgvuldig en toereikend is geweest. De stelling dat het Uwv vooringenomen was, wordt niet onderschreven. Het Uwv heeft met de gegevens uit de onderzoekrapporten van 20 februari 2017 en 11 oktober 2017 voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen appellante en [werkgever] .

4.8.

Hiervoor is onder meer van belang geacht dat geen omzet van [werkgever] bekend is over de periode waarin appellante daar werkzaam zou zijn geweest, dat appellante niet heeft aangetoond dat zij loon heeft ontvangen van [werkgever] , dat onduidelijkheid bestaat over de leidinggevende van appellante en [werkgever] stond ingeschreven op het adres van een woning die was verhuurd aan derden. De overwegingen van de rechtbank hierover worden onderschreven. Voorts is van belang dat de bedrijven, zoals omschreven in het rapport van het Uwv van 11 oktober 2017, waarvan appellante zegt dat zij deze in 2013 samen met [X] heeft bezocht, desgevraagd niet kunnen bevestigen appellante ook in 2013 te hebben gezien.

4.9

Verder is van belang dat appellante op 21 december 2016 een andere omschrijving heeft gegeven van haar werkzaamheden voor [werkgever] dan die zij op 13 november 2014 in het kader van de eerstejaarsziektewetbeoordeling aan de arbeidsdeskundige heeft gegeven. De verklaring hiervoor door appellante ter zitting, dat zij aan de arbeidsdeskundige haar toekomstige werkzaamheden heeft meegedeeld, is niet geloofwaardig. Bij een dergelijke beoordeling gaat het immers om de vaststelling van geschiktheid voor de laatst verrichte werkzaamheden en niet voor (andere) toekomstige werkzaamheden. Ook de strafrechter heeft geconstateerd dat appellante wisselende verklaringen heeft afgelegd over de door haar verrichte werkzaamheden.

4.10.

Appellante is er onvoldoende in geslaagd om door middel van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij wel werkzaamheden in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met [werkgever] heeft verricht.

4.11.

Ter zitting heeft appellante onvoldoende duidelijkheid kunnen verschaffen over de aard van haar werkzaamheden. De door appellante beschreven werkzaamheden, die zij gedurende haar studententijd fulltime zou hebben verricht voor [werkgever] , zijn onvoldoende concreet en verifieerbaar doordat zij niet met ondersteunend bewijs gestaafd worden. Verder blijft onduidelijk of appellante al in 2013, in het kader van de door haar gestelde werkzaamheden voor [werkgever] , eerdergenoemde bedrijven heeft bezocht.

4.12.

Appellante heeft, onder verwijzing naar het vonnis van de strafrechter van 22 januari 2020, betoogd dat bestreden besluit 2 in strijd is met de onschuldpresumptie, zoals gewaarborgd bij artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellante is onder andere ten laste gelegd dat zij de ZW- en WIA-aanvragen valselijk heeft opgemaakt door in strijd met de waarheid te vermelden dat zij in dienst was van werkgever [werkgever] . Ook is appellante verweten dat zij het Uwv niet op de hoogte heeft gesteld dat sprake was van een gefingeerd dienstverband en dat zij geschriften, zoals arbeidsovereenkomst, salarisspecificaties en jaaropgave 2013 valselijk heeft opgemaakt om als echt/onvervalst te gebruiken. Appelante is van deze verdenkingen vrijgesproken. De strafrechter heeft de vrijspraak van appellante als volgt gemotiveerd:

De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd bij het Uwv en op de zitting, onder meer over de aard en de inhoud van de werkzaamheden die zij zou hebben verricht. Dit geeft te denken en mede daarom is niet aannemelijk dat de verdachte destijds in het geheel niet op de hoogte was van de ongeregeldheden rond en in het bedrijf MAC, zoals die uit het dossier naar voren komen. Hierbij is van belang dat de verdachte sinds 2010 onder meer HBO opleidingen op het gebied van personeel en arbeid volgende. De exacte rol en betrokkenheid van de verdachte bij de ongeregeldheden ten aanzien van MAC is op basis van de stukken in dossier en het verhandelde ter zitting niet te duiden. Daardoor is niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vast te stellen of haar gedragingen binnen de grenzen van de tenlastelegging vallen”.

4.13.

Op grond van artikel 6, tweede lid, van het EVRM wordt een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Deze onschuldpresumptie brengt volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (bijvoorbeeld het arrest van 12 juli 2013 in de zaak van Allen tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409, punten 92 tot en met 104) mee dat het publieke organen en autoriteiten niet is toegestaan om na een strafrechtelijke vrijspraak in een bestuursrechtelijke procedure alsnog twijfels te uiten over de onschuld van een betrokkene ten aanzien van het feit waarvoor hij is vrijgesproken. Voor een geslaagd beroep op dit aspect van de onschuldpresumptie dient de betrokkene te stellen en te bewijzen dat een voldoende verband (‘link’) bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere bejegening door een bestuurlijke autoriteit of de latere gerechtelijke procedure. Een dergelijk verband is bijvoorbeeld aanwezig als die latere procedure een onderzoek vereist van de uitkomst van de eerdere strafrechtelijke procedure, in het bijzonder in een geval waarin die latere procedure de rechter dwingt tot een onderzoek van een strafrechtelijk oordeel, tot een heroverweging of beoordeling van het bewijs in het strafrechtelijke dossier, tot een oordeel over de deelname van de belanghebbende aan de gebeurtenissen die hebben geleid tot de eerdere ‘criminal charge’, of tot een oordeel over de bestaande aanwijzingen van mogelijke schuld van de belanghebbende.

4.14.

De reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM kan zich dus in voorkomend geval uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit of samenhangen met de strafrechtelijke procedure. In dit geval bestaat er met de vrijspraak van appellante in de strafzaak een verband (‘link’) als bedoeld in 4.5.3, omdat de tenlastelegging is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex dat heeft geleid tot de besluiten tot intrekking en terugvordering van de ZW- en WIA-uitkering en de toeslag, waarbij het uitgangspunt is dat appellante niet heeft gewerkt voor [werkgever] .

4.15.

Uit de rechtspraak van het EHRM, bijvoorbeeld het arrest van 23 oktober 2014 in de zaak van Melo Tadeu tegen Portugal (ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510, punt 66) het arrest van 18 oktober 2016 in de zaak van Alkasi tegen Turkije (ECLI:CE:ECHR:2016:1018 JUD0021170, punt 32) volgt dat het feit dat een verband als hiervoor bedoeld is vastgesteld op zichzelf niet voldoende is voor de conclusie dat het oordeel van de strafrechter er aan in de weg staat dat in een latere bestuursrechtelijke procedure de gedragingen waarvan de betrokkene is vrijgesproken – als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs – voldoende aannemelijk worden gemaakt. Daarbij is wel van belang dat de rechterlijke autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel dienen te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van wat de betrokkene in de strafzaak werd verweten. Daarbij is tevens van belang dat de rechterlijke autoriteiten zich dienen te onthouden van strafrechtelijke karakterisering van de gedraging van de betrokkene en hun eigen forum niet te buiten gaan. Vergelijk het arrest van 18 oktober 2016 in de zaak van Alkasi tegen Turkije en het arrest van 28 maart 2017 in de zaak van Kemal Coskun tegen Turkije (ECLI:C:ECHR:2017:0328JUD004502807, punt 52).

4.16.

De in 4.5.2 vermelde vrijspraak betekent dat de strafrechter niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vast heeft kunnen stellen dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de in de tenlastelegging vermelde feiten. Uit de motivering van de vrijspraak volgt echter ook dat niet aannemelijk is dat appellante destijds in het geheel niet op de hoogte was van ongeregeldheden rond en in het bedrijf [werkgever] , maar dat haar exacte rol en betrokkenheid bij deze ongeregeldheden (strafrechtelijk) niet te duiden is. In dit verband is van belang dat in de bestuursrechtelijke procedure de feitelijke vraag voorligt of appellante bij [werkgever] heeft gewerkt en dat in de bestuursrechtelijke procedure minder strenge eisen aan het bewijs worden gesteld dan in de strafrechtelijke procedure. Voor een besluit tot intrekking van de ZW- en WIA-uitkering en toeslag is slechts vereist dat aannemelijk is gemaakt dat appellante niet werkzaam is geweest voor [werkgever] . Enige mate van twijfel hoeft daaraan, anders dan in het strafrecht, niet in de weg te staan. In de strafzaak tegen appellante moest onder meer wettig en overtuigend worden bewezen dat appellante ten aanzien van de aanvraag om de genoemde uitkeringen (opzettelijk) valsheid in geschrifte had gepleegd door daarop te vermelden dat zij voor [werkgever] werkzaam is geweest en opzettelijk gebruik heeft gemaakt van onder andere valse salarisspecificaties van [werkgever] . Voor het aannemelijk maken dat appellante niet werkzaam is geweest voor [werkgever] is opzet geen vereiste.

4.17.

Uit 4.5.2 tot en met 4.5.6 volgt dat appellante geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de gevolgtrekking kunnen rechtvaardigen dat bestreden besluit 2 in strijd met artikel 6, tweede lid, van het EVRM twijfel oproept over de juistheid van de gronden voor de vrijspraak.

4.18.

Uit het voorgaande volgt dat een toereikende grondslag bestaat voor de conclusie dat appellante niet heeft gewerkt voor [werkgever] . Het Uwv heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat appellante geen recht had op een ZW- en een WIA- uitkering, noch op een toeslag, zodat het Uwv gehouden was de op grond van die wetten verstrekte uitkeringen in te trekken.

4.19.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. Omdat het Uwv bij deze uitkomst met een beoordeling van het incidenteel hoger beroep niet in een gunstiger positie kan komen te verkeren, zal dat wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.1.

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende.

5.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.3.

In het geval van appellante zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 8 februari 2017 van het tegen het schorsingsbesluit van 10 januari 2017 ingediende bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak vier jaar en ruim vier maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met vier maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. Het Uwv heeft niet binnen een half jaar op dit bezwaar beslist. Er is dus sprake van overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv, zodat de te betalen schadevergoeding voor rekening is van het Uwv.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het ter zitting ingediende verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat in dit geval evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

- verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en I.M. Hilhorst-Hagen en S.B. Smit-Colenbrander als leden, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) A.M.M. Chevalier