Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
18/5086 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De volledige arbeidsongeschiktheid op de datum in geding is niet duurzaam. Geen recht op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-vervolguitkering. Toereikend gemotiveerd dat een meer dan geringe kans op herstel bestaat en op welke punten de belastbaarheid kan verbeteren. Er is geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5086 WIA

Datum uitspraak: 23 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 augustus 2018, 18/407 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.E. Eshuis, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 14 oktober 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door Eshuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door K. Affia.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en een vraag aan het Uwv gesteld.

Het Uwv heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 december 2020 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 januari 2021 aan de Raad gestuurd.

Appellante heeft een reactie ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als schoenenverkoopster gedurende 11,5 uur per week. Daarnaast ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) voor 5 uur per week. Op 16 november 2015 heeft appellante zich ziekgemeld met klachten van de ziekte van Crohn en gewrichtsklachten. Appellante is in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet.

1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante op 11 september 2017 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft de belastbaarheid van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 oktober 2017. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat er geen functies zijn te selecteren die voldoen aan de belastbaarheid van appellante, zodat er geen mogelijkheden zijn tot werkhervatting. Appellante is daarom voor 80-100% arbeidsongeschikt beschouwd. Bij besluit van 24 oktober 2017 heeft het Uwv appellante per 13 november 2017 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA. Het bezwaar van appellante is door het Uwv bij besluit van 2 februari 2018 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 januari 2018 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig geweest. Er bestaat daarin een toereikende grondslag voor de uitgesproken verwachting van de herstelkansen in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van appellante. Het ingenomen standpunt is voldoende inzichtelijk gemotiveerd en er is geen reden voor twijfel aan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er bij appellante geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Dit betekent dat er geen aanspraak bestaat op een IVA-uitkering. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het verzoek van appelante om, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226), naar aanleiding van de uitspraak van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (Korošec), professor dr. F.C. Visser, Stichting Cardiozorg, te Amsterdam als deskundige te benoemen. Overwogen is dat appellante medische informatie heeft ingebracht en de verzekeringsartsen deze informatie hebben betrokken bij het vormen van een oordeel over de beperkingen van appellante. Er zijn geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. Appellante heeft daarnaast in de beroepsfase voldoende ruimte gehad om medische stukken in te dienen ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar medische situatie heeft onderschat en zij heeft die ruimte ook benut. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter uit het oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin appellante de genoemde gegevens heeft ingezonden en de verzekeringsartsen van het Uwv inzichtelijk die informatie hebben betrokken zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat appellante, zoals ter zitting is toegelicht, wil laten onderzoeken of bij haar de diagnose CVS/ME kan worden gesteld, op grond waarvan dan meer beperkingen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep moeten worden aangenomen. De rechtbank overweegt dat het arrest Korošec er niet toe leidt dat in de beroepsfase onderzoek moet worden verricht naar mogelijk te stellen ziektes en diagnose. Van een schending van het beginsel van equality of arms is dan ook geen sprake, zodat er geen aanleiding is tot benoeming van een deskundige.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep de gronden van beroep gehandhaafd. Zij is van mening dat haar beperkingen uit de maag- en darmklachten door de ziekte van Crohn, rugklachten en de vermoeidheid uit ME/CVS zijn onderschat en de FML van de bedrijfsarts van 11 oktober 2016 tot uitgangspunt moet worden genomen. Appellante handhaaft het verzoek om een expertiseonderzoek naar haar vermoeidheidsklachten. De rechtbank heeft dit verzoek en de door appellante gestelde financiële onmacht om zelf een deskundige in te schakelen terzijde geschoven. De rechtbank heeft de verzekeringsartsen ten onrechte gevolgd, terwijl dit geen specialisten zijn op het gebied van de gezondheidsproblemen van appellante. Hiermee is wel degelijk sprake van wapenongelijkheid, met schending van het beginsel van equality of arms. De rechtbank heeft miskend dat verzekeringsartsen bij ME/CVS vaak geen arbeidsongeschiktheid aannemen, omdat geen lichamelijke afwijking kan worden aangetoond of geen diagnose kan worden gesteld. Volgens het advies van de Gezondheidsraad van

19 maart 2018 inzake ME/CVS zijn dat echter geen goede redenen om iemands beperkingen buiten beschouwing te laten. Het gaat er om dat sprake is van een consistent geheel van stoornissen, beperkingen en handicaps.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante volledig arbeidsongeschikt is op de datum in geding,

13 november 2017. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, ligt de vraag voor of de volledige arbeidsongeschiktheid op de datum in geding moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat appellante op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-vervolguitkering.

4.2.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Over het gehanteerde beoordelingskader met het daarin vermelde stappenplan heeft de Raad geoordeeld dat dit niet in strijd komt met een juiste uitleg van artikel 4 van de Wet WIA.

4.3.

Desgevraagd heeft het Uwv op 29 januari 2021 een toelichting op de vraag of de arbeidsongeschiktheid op 13 november 2017 duurzaam was aan de Raad gestuurd. Hierbij is aandacht besteed aan vaste rechtspraak betreffende de beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van

15 december 2020 vastgesteld dat het aannemen van een situatie waarin geen benutbare mogelijkheden zijn vast te stellen op de datum in geding in verband met opname in een ziekenhuis niet juist is, omdat appellante op 10 november 2017 uit het ziekenhuis was ontslagen. Gelet hierop is alsnog per 13 november 2017 een FML opgesteld. Hierin zijn beperkingen aangenomen in verband met de psychische problematiek (depressieve stoornis en angststoornis), een lichte vorm van artrose, een niet actieve ziekte van Crohn en een peri-anaal abces. Vanwege de verschillende aandoeningen die invloed hebben op de energiehuishouding geldt een urenbeperking van 4 a 5 uur per dag/20 uur per week. Omdat er per de datum in geding onvoldoende passende functies zijn te duiden, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding meer dan 80% bedraagt.

4.4.

Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de hand van het stappenplan toegelicht dat er voor de psychische stoornissen wel behandeling mogelijk is. In het behandelplan psychiatrie van 4 december 2017 is vermeld dat de behandeling is gericht op zo volledig mogelijk herstel van de stemmingsklachten met optimaliseren van geestelijk en lichamelijk functioneren van de kwaliteit van leven. De verbetering in functioneren is te verwachten door de geadviseerde Chronische Lichamelijke Klachten (CLK) groepstherapie. Uit informatie van psychiater T.R.W.M. Walrave van 27 november 2018 blijkt dat appellante wisselend aanwezig was bij de CLK groep en voortijdig is gestopt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat er geen medische reden was om voortijdig te stoppen met de behandeling, er is dan ook sprake van inadequaat herstelgedrag. Omdat de behandeling nadien poliklinisch is voortgezet door psychiater W.A. Jaket, kan niet gesteld worden dat er slechts een geringe kans bestaat op herstel na het eerstkomende jaar na de datum in geding (stap 3 van het stappenplan).

4.5.

Met het rapport van 15 december 2020 is toereikend gemotiveerd dat een meer dan geringe kans op herstel bestaat en op welke punten de belastbaarheid kan verbeteren. Er is geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in het rapport van 26 januari 2021 uiteengezet en overtuigend gemotiveerd dat voor appellante, wanneer de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschreven verbetering van de belastbaarheid optreedt, voldoende functies te duiden zijn waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 80% is. De volledige arbeidsongeschiktheid op de datum in geding is dan ook niet duurzaam.

4.6.

Omdat de Raad geen twijfel heeft over de juistheid van de medische beoordeling, is er voor inschakeling van een onafhankelijk deskundige geen grond. Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Appellante heeft in de procedure informatie ingediend van de MDL-arts, de psycholoog en psychiater. Deze stukken zijn naar hun aard geschikt om twijfel te zaaien aan het oordeel van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze informatie, en de opgevraagde informatie van de huisarts (met informatie van de reumatoloog en chirurg) betrokken bij zijn onderzoek naar, en oordeel over de beperkingen van appellante. Daargelaten dat appellante het gestelde onvermogen om de kosten te dragen van een partijdeskundige niet heeft onderbouwd, volgt uit de jurisprudentie niet dat de rechter uit het oogpunt van zorgvuldigheid gehouden is een medisch deskundige te benoemen in een situatie als hier aan de orde, waarin stukken uit de behandelend medische sector zijn ingebracht en de verzekeringsartsen van het Uwv deze medische informatie inzichtelijk in hun beoordeling hebben betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 februari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:451).

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat per

13 november 2017 geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Aangezien pas in hoger beroep deugdelijk is gemotiveerd dat er geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit gebrek zal worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellante niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met dezelfde inhoud zijn genomen. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.335,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.403,-. Ook wordt bepaald dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.403,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2021.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) V.M. Candelaria