Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1499

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
18/6280 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering, maatregel, boete. Geen dringende redenen of verminderde verwijtbaarheid. Boete afgelost. Geen dubbele bestraffing.

Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering of het opleggen van een maatregel af te zien. Ook is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid voor wat betreft de boete. De boete is inmiddels door verrekening volledig afbetaald en het college heeft bij de vaststelling van de hoogte van de boete op juiste wijze rekening gehouden met de draagkracht van appellant. De beroepsgrond dat appellant met de opgelegde maatregel en de opgelegde boete dubbel wordt gestraft, slaagt niet. Het college heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat appellant zelf ontslag heeft genomen en aan de boete dat appellant niet heeft gemeld dat hij inkomsten had uit arbeid. Dit betekent dat sprake is van verschillende gedragingen met verschillende rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2021/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6280 PW, 18/6343 PW, 20/2167 PW, 20/2168 PW, 20/2520 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van
23 november 2018, 18/1141 en 18/1142 (aangevallen uitspraak 1) en van 8 mei 2020,
19/1675 en 19/1676 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Datum uitspraak: 15 juni 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend en vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft hierop gereageerd.

Partijen hebben vervolgens nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op

23 maart 2021. Appellant heeft daaraan deelgenomen, bijgestaan door mr. Brauer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.P. Pozun.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 18 augustus 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

In het kader van een heronderzoek is het college uit Suwinet, voor zover van belang, gebleken dat appellant van 9 november 2015 tot 19 december 2016 werkzaam is geweest en hieruit inkomsten heeft ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft het college een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daarvoor heeft een casemanager van de cluster sociale zaken dossieronderzoek verricht, onder meer op 3 oktober 2017 een gesprek met appellant gehad, telefonisch contact met de werkgever van appellant gehad en informatie opgevraagd van appellant en zijn werkgever. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapport rechtmatigheid van 11 oktober 2017.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van

12 december 2017 (besluit 1), voor zover van belang, de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 1 november 2015 tot en met 31 december 2016 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.355,17 van appellant terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van eveneens 12 december 2017 (besluit 2) heeft het college de bijstand over de periode van 1 december 2017 tot en met 31 december 2017 verlaagd met 100%.

1.5.

Bij besluit van 23 april 2018, nadien gewijzigd bij besluit van 21 september 2018 (bestreden besluit 1), heeft het college besluit 1, voor zover van belang, in zoverre herzien dat de intrekking en terugvordering van verleende bijstand over de periode van

1 november 2015 tot en met 8 november 2015 en van 19 december 2016 tot en met

31 december 2016 is komen te vervallen. De over de periode van 9 november 2015 tot en met 18 december 2016 gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd tot een bedrag van

€ 16.663,89. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van het verrichten van werkzaamheden. Doordat de inkomsten uit deze werkzaamheden hoger waren dan de voor appellant geldende bijstandsnorm had hij geen recht op bijstand.

1.6.

Bij besluit van 24 april 2018 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard voor zover daarbij de maatregel is opgelegd over de maand december 2017. Het college heeft de maatregel alsnog over de maand januari 2018 opgelegd en hieraan ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond door ontslag te nemen uit zijn dienstverband.

1.7

Bij besluit van 1 augustus 2018 (besluit 3) heeft het college appellant een boete opgelegd van € 75,-. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij geen melding heeft gemaakt van het ontvangen van giften op 28 mei 2018 en 4 juni 2018.

1.8.

Bij besluit van 12 juni 2019 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen besluit 3 niet ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

1.9.

Bij besluit van 13 december 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juni 2019 (bestreden besluit 4) heeft het college appellant een boete opgelegd van € 624,60. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij niet heeft gemeld dat hij werkzaamheden heeft verricht. Het college is bij de vaststelling van de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft rekening gehouden met de draagkracht van appellant.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen, voor zover van belang, tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en het college in de kosten van het beroep van appellant veroordeeld.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard.

3. Bij nader besluit van 15 juli 2020 (nader besluit) heeft het college de motivering van bestreden besluit 2 gewijzigd. Het college heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat appellant geen algemeen geaccepteerde arbeid heeft behouden Volgens het college is geen sprake van het ontbreken van verwijtbaarheid en bestaan geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van het opleggen van een maatregel af te zien. Dit nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken en het nader besluit gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering (18/6343 PW)

5.1.

De te beoordelen periode loopt van 9 november 2015 tot en met 18 december 2016.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode werkzaamheden in loondienst heeft verricht en dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door dit niet bij het college te melden. Verder is tussen partijen niet in geschil dat de inkomsten die appellant met die werkzaamheden heeft verkregen hoger waren dan de voor hem geldende bijstandsnorm waardoor hij, als gevolg van die schending van de inlichtingenverplichting, geen recht had op bijstand.

5.3.

Op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW was het college daarom verplicht om de bijstand over de te beoordelen periode in te trekken.

5.4.

Gelet op artikel 58, eerste lid, van de PW was het college tevens verplicht om de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen.

5.5.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het college de hoogte van de terugvordering onjuist heeft berekend.

5.6.

Deze grond slaagt. Bij brief van 17 juli 2020 heeft het college het terugvorderingsbedrag verlaagd tot € 16.507,21 bruto. Ter zitting van de Raad heeft appellant te kennen gegeven dit terugvorderingsbedrag niet langer te betwisten.

5.7.

Appellant heeft verder aangevoerd dat er in zijn geval dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Door de terugvordering is hij dieper in financiële problemen gekomen. Gelet op zijn psychische problemen is dat niet vol te houden. Het college is op de hoogte van zijn psychische problemen, maar heeft ten onrechte geweigerd de stukken over te leggen die verband houden met een gedwongen opname van appellant in een psychiatrische inrichting van een aantal jaar geleden.

5.8.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. In wat appellant heeft aangevoerd, liggen geen dringende redenen besloten als bedoeld in voormelde zin. Appellant heeft geen (medische) gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zijn psychische toestand door de terugvordering is verslechterd. Stukken die zien op een psychiatrische opname van appellant in het verleden kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Voor wat betreft de gestelde financiële gevolgen is het van belang dat de financiële gevolgen van een terugvordering zich in het algemeen pas voordoen als daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij wordt appellant beschermd door de regels over de beslagvrije voet in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.

Maatregel (18/6280 PW, 20/2520 PW)

5.9.

Bij het nader besluit heeft het college de grondslag van de maatregel gewijzigd. Volgens het college heeft appellant door zijn gedrag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden en dient de maatregel te worden gebaseerd op artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de PW en artikel 9 van de Afstemmingsverordening Participatiewet Sittard-Geleen 2015 (Afstemmingsverordening).

5.10.

Wat onder 5.9 is overwogen brengt mee dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke wettelijke grondslag berust. De Raad zal onderzoeken of dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.10.1.

De Raad is met het college, en anders dan appellant, van oordeel dat appellant, door zijn ontslagname op 19 december 2017, geen algemeen geaccepteerde arbeid heeft behouden als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onder a, van de PW. Appellant is sinds 9 november 2015 voor 32 tot 40 uur per week werkzaam geweest. Na afloop van het eerste contract op 8 juni 2016 is het contract verlengd tot 8 januari 2017. Appellant heeft zich op 8 november 2016 ziek gemeld. Op 19 december 2016 heeft appellant zich hersteld gemeld en ontslag genomen. Appellant heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hem, vanwege zijn psychische omstandigheden, niets anders restte dan zich hersteld te melden en per direct ontslag te nemen, terwijl zijn contract op 8 januari 2017 zou eindigen. Hieruit volgt dat appellant ten onrechte geen algemeen geaccepteerde arbeid heeft behouden.

5.10.2.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hem geen verwijt treft dat hij geen algemeen geaccepteerde arbeid heeft behouden. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 18, negende lid, van de PW ziet het college af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Gelet op 5.10.1 heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt..

5.10.3.

Appellant heeft verder met de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden een beroep gedaan op dringende redenen als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW. Hij heeft aangevoerd dat de maatregel vanwege zijn psychische problematiek en financiële situatie moet worden gematigd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is omdat appellant zijn financiële situatie niet heeft onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Daarnaast heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zijn psychische omstandigheden hem beletten om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden. Gelet op de uitleg van artikel 18, tiende lid, van de PW in de uitspraken van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3676, en van 12 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1833, en nu appellant voorts niet met medische gegevens heeft onderbouwd dat zijn psychische klachten als gevolg van de maatregel zullen verergeren, zoals hij heeft aangevoerd, gaat het college met deze beoordeling de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten. Dit betekent dat het beroep op dringende redenen als hiervoor bedoeld ook niet slaagt.

5.10.4.

Gelet op 5.10.1 tot en met 5.10.3 ziet de Raad aanleiding het gebrek dat aan het bestreden besluit 2 kleeft, en dat met het nadere besluit is hersteld, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld. Het beroep tegen het nadere besluit is ongegrond.

Boete van € 75,- (20/2167 PW)

5.11.

Appellant heeft, evenals in beroep, aangevoerd dat het college dit besluit aan zijn gemachtigde dan wel aan zijn begeleider vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) had moeten zenden. Daarnaast had het college volgens appellant niet kunnen volstaan met aangetekende verzending van het besluit, maar had het college dit besluit tevens per gewone post of via e-mail moeten zenden omdat hij de deurbel niet altijd hoort.

5.12.1

Artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

5.12.2.

Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

5.13.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geding is dat het college besluit 3 aangetekend naar het adres van appellant heeft verzonden. Dat appellant het besluit niet in ontvangst heeft genomen en niet later heeft afgehaald, komt voor zijn rekening en risico. Het college hoefde het besluit niet per gewone post of per e-mail te verzenden. Het college heeft het besluit terecht niet (tevens) naar mr. Brauer gezonden. In een brief van mr. Brauer van 10 april 2018 aan het college heeft hij gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot de boete in verband met de intrekking en terugvordering van de bijstand wegens de verrichte werkzaamheden. Uit die brief blijkt echter niet dat hij zich tevens als gemachtigde heeft gesteld in deze zaak waaraan een geheel ander feitencomplex, te weten het niet melden van het ontvangen van giften van de moeder van appellant, welke giften van na die brief dateren, ten grondslag ligt. Er is geen sprake van nauwe verwevenheid met de aan appellant opgelegde boete wegens het niet melden van het verrichten van werkzaamheden. De stelling dat het college wist dat appellant begeleiding ontving vanuit de WMO, houdt evenmin stand. Appellant ontving begeleiding in verband met het ordenen van zijn administratie en, na het overlijden van zijn moeder, voor het opruimen van haar huis. Niet gebleken is dat appellant begeleiding ontving in verband met het verzorgen van zijn post.

5.14.

Gelet op 5.12 en 5.13 heeft het college besluit 3 op de juiste wijze bekend gemaakt door aangetekende verzending aan appellant. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het college heeft het bezwaar tegen besluit 3 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard

Boete van € 624,60 (20/2168 PW)

5.15.

Uit 5.2 volgt dat het college heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het verrichten van werkzaamheden. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was verplicht een boete op te leggen.

5.16.

Over de mate van verwijtbaarheid heeft appellante aangevoerd dat, in verband met zijn psychische problematiek, sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Appellant heeft dit standpunt niet met medische gegevens onderbouwd. Dat appellant begeleiding heeft op grond van de WMO en dat hij in het verleden wegens psychoses opgenomen is geweest in een psychiatrische inrichting, betekent niet dat het schenden van de inlichtingenverplichting appellant niet kan worden verweten. Verder heeft appellant in het op 3 oktober 2017 gevoerde gesprek, vermeld in 2.1 te kennen gegeven dat hij wist dat hij niet goed bezig was door tegelijkertijd zowel inkomsten uit arbeid te ontvangen als een uitkering. Hij heeft er bewust voor gekozen de werkaanvaarding niet door te geven, omdat er dan direct loonbeslag zou worden gelegd en hij er financieel niet op vooruit zou gaan. De rechtbank heeft op goede gronden geen reden gezien om uit te gaan van verminderde verwijtbaarheid.

5.17.

Evenals in beroep heeft appellant aangevoerd dat hij met de opgelegde maatregel en de opgelegde boete dubbel wordt gestraft. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft het college aan de maatregel ten grondslag gelegd dat appellant zelf ontslag heeft genomen en aan de boete heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft gemeld dat hij inkomsten had uit arbeid. Dit betekent dat sprake is van verschillende gedragingen met verschillende rechtsgevolgen.

5.18.

De beroepsgrond dat het college de hoogte van de boete had moeten matigen wegens de lange duur voordat het college een beslissing had genomen, slaagt evenmin. Hoewel de termijn van dertien weken als bedoeld in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb is overschreden, hoeft die overschrijding in dit geval niet te worden verdisconteerd in de hoogte van de boete, nu de boete op grond van de draagkracht al is gematigd.

5.19.

De wijziging van de hoogte van de terugvordering geeft evenmin aanleiding tot wijziging van de hoogte van de boete. De boete is inmiddels door verrekening volledig afbetaald en het college heeft bij de vaststelling van de hoogte van de boete op juiste wijze rekening gehouden met de draagkracht van appellant. De boete van € 624,60 is hier passend en geboden.

Conclusie

5.20.

Uit 5.6 volgt dat het bestreden besluit 1 niet in stand kan blijven, omdat het terugvorderingsbedrag alsnog is verlaagd. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 1ongegrond is verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover het de terugvordering van de bijstand betreft. Gelet op het belang van een definitieve beslechting van het geschil en omdat appellant het bij brief van 17 juli 2020 verlaagde terugvorderingsbedrag niet betwist, zal de Raad zelf in de zaak voorzien en de hoogte van de terugvordering vaststellen op een bedrag van € 16.507,21.

5.21.

Uit 5.14 en 5.19 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. De aangevallen uitspraak 2 zal daarom worden bevestigd.

Proceskosten

6. Het gewijzigde terugvorderingsbedrag en de toepassing van artikel 6:22 van de Awb geven aanleiding het college ter zake te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 534,- in beroep (een punt voor het beroepschrift tegen bestreden besluit 2) en op € 1.602,- in hoger beroep (een punt voor het hoger beroep, twee keer 0,5 punt voor de gevraagde reacties over de terugvordering en de grondslag van de maatregel en een punt voor de zitting).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt aangevallen uitspraak 1 voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 21 september 2018 ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 21 september 2018 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het betrekking heeft op het terugvorderingsbedrag;

  • -

    stelt het terugvorderingsbedrag vast op € 16.507,21 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 21 september 2018;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor het overige;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.136,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 218,- vergoedt;

  • -

    verklaart het beroep tegen het nader besluit van 15 juli 2020 ongegrond;

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en E.J.M. Heijs en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2021.

(getekend) M. Hillen

(getekend) B. van Dijk