Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
19/155 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Primaire beoordeling verricht door een arts. In bezwaar in beginsel spreekuurcontact vereist met een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/429
RSV 2021/157 met annotatie van J.H. Ermers
USZ 2021/345 met annotatie van Bogaard, E. van den
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 155 WIA

Datum uitspraak: 23 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

14 december 2018, 18/862 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.D. van Alphen hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding gedaan.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.S. Träger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als pedagogisch medewerker voor 12,51 uur per week. Met ingang van 2 januari 2016 heeft appellante zich ziek gemeld met cardiale klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante op 17 november 2017 het spreekuur bezocht van een arts in dienst van het Uwv. Deze arts was niet geregistreerd als verzekeringsarts. Deze arts heeft dezelfde dag een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. In een rapport van 22 november 2017 heeft de arts zijn bevindingen neergelegd en appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in de FML van 17 november 2017. Onder het rapport is vermeld dat het oordeel van deze arts is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts. Het rapport is niet medeondertekend door die verzekeringsarts.

1.2.

Een arbeidsdeskundige heeft appellante niet geschikt geacht voor haar eigen werk, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen een mate van arbeidsongeschiktheid van 21,86% berekend. Bij besluit van 1 december 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 30 december 2017 een

WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante heeft een arts in dienst van het Uwv die is aangeduid als arts bezwaar en beroep, dossierstudie verricht en de hoorzitting bijgewoond waar appellante aanwezig was. In zijn rapport van 1 maart 2018 heeft deze arts geconcludeerd dat aanvullende beperkingen moeten worden aangenomen in de FML. In verband hiermee heeft hij op 2 maart 2018 een gewijzigde FML opgesteld. Het rapport van de arts bezwaar en beroep is medeondertekend door een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

1.4.

Uitgaande van de gewijzigde FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vier van de eerder geselecteerde functies laten vervallen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het CBBS geraadpleegd en twee nieuwe functies geselecteerd. Op basis van de overgebleven functie en de nieuw geselecteerde functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 27,69%. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante bij beslissing op bezwaar van 21 maart 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, omdat appellante ongewijzigd minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dus niet in aanmerking komt voor een uitkering.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is te achten als een geregistreerde verzekeringsarts het rapport van een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts beoordeelt, waarbij de verzekeringsarts de beschikking heeft over het gehele dossier en het rapport mede ondertekent. De rechtbank heeft in dit verband verwezen naar de uitspraken van 2 februari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:431) en 15 januari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:39). Deze rechtspraak ziet weliswaar op de beoordeling door de primaire (verzekerings)arts, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om deze rechtspraak niet ook van toepassing te achten op een verzekeringsarts bezwaar en beroep die een rapport van een arts bezwaar en beroep mede ondertekent. Aanknopingspunten voor het oordeel dat medeondertekenen onzorgvuldig onderzoek oplevert, omdat niet inzichtelijk is wat het onderzoek van de medeondertekenende verzekeringsarts inhoudt, ontbreken. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van het dossier van appellante, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de dossierstukken. Volgens de rechtbank bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het uitgevoerde medisch onderzoek door de arts bezwaar en beroep. Daarnaast heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te oordelen dat de belastbaarheid van appellante onjuist is vastgesteld. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank overwogen dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante, onder herhaling van de gronden in bezwaar en beroep, aangevoerd dat zij zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase is gezien door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts. Appellante is van mening dat het bestreden besluit hierdoor onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat reeds daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak moeten worden vernietigd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:4018). Met het in hoger beroep overleggen van een nader rapport van 30 januari 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die destijds het rapport van de arts bezwaar en beroep van 1 maart 2018 mede heeft ondertekend, is het gebrek volgens appellante niet hersteld, omdat deze verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante niet zelf heeft gezien en onderzocht. Appellante is van mening dat om tot een zorgvuldige besluitvorming te komen een medisch onderzoek tijdens een spreekuurcontact door een verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangewezen.

3.2.

Het Uwv heeft gesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en verwijst daarvoor naar het in hoger beroep ingezonden rapport van 30 januari 2019. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Artikel 3, eerste, tweede en derde lid, van het Schattingsbesluit luiden als volgt:

1. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek strekt ertoe vast te stellen of betrokkene ten gevolge van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot werken.

2. Daarbij onderzoekt de verzekeringsarts of bij betrokkene sprake is van vermindering of verlies van lichamelijke of psychische structuur of functie, die vermindering of verlies van normale gedragen en activiteiten en van normale sociale rolvervulling tot gevolg heeft.

3. Tevens stelt de verzekeringsarts vast welke beperkingen betrokkene in zijn functioneren in arbeid ondervindt ten gevolge van het verlies of vermindering van vermogens, bedoeld in het tweede lid, alsmede in welke mate betrokkene belastbaar is voor arbeid.

4.1.2.

Artikel 4, eerste lid, van het Schattingsbesluit luidt als volgt:

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoet aan de volgende vereisten:

a. de gebruikte onderzoeksmethoden, argumentatie, bevindingen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek worden schriftelijk vastgelegd;

b. een door een andere verzekeringsarts uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal tot dezelfde bevindingen en conclusies kunnen leiden;

c. de redeneringen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn vrij van innerlijke tegenspraak.

4.2.

Zoals de Raad meermalen heeft overwogen kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Registratie als verzekeringsarts staat in beginsel borg voor een zekere kwaliteit. Zolang registratie als verzekeringsarts nog niet heeft plaatsgevonden kan er in beginsel niet van worden uitgegaan dat het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts diezelfde kwaliteit bezit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9904).

4.3.1.

De Raad heeft voor de fase van de primaire besluitvorming echter aanvaard dat er geen aanleiding is om een rapport van een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts als onzorgvuldig aan te merken, indien een verzekeringsarts in zijn hoedanigheid van mentor/begeleider dit rapport met zijn handtekening voor zijn rekening heeft genomen (zie de uitspraak van de Raad van 14 december 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BC0360). Voorts heeft de Raad in zijn uitspraak van 15 januari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:39) de situatie waarin een geregistreerde verzekeringsarts een rapport beoordeelt van een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts, opgemaakt na spreekuuronderzoek door deze niet als verzekeringsarts geregistreerde arts, en waarbij de geregistreerde verzekeringsarts de beschikking heeft over het gehele dossier en het rapport vervolgens medeondertekent, geheel in lijn geacht met de in de uitspraak van 14 december 2007 als voldoende zorgvuldig geoordeelde handelwijze.

4.3.2.

Het Uwv heeft ter zitting toegelicht dat in toenemende mate met een digitaal dossier wordt gewerkt. Omdat het medeondertekenen door middel van een ‘natte’ handtekening of paraaf bij deze werkwijze niet mogelijk is, heeft het Uwv in aansluiting op deze rechtspraak een systematiek van digitaal medeondertekenen ontwikkeld. Zowel bij het zetten van een ‘natte’ handtekening of paraaf als bij het digitaal medeondertekenen heeft de betreffende verzekeringsarts de beschikking over het volledige dossier en neemt deze, zo nodig na overleg met de arts en het verrichten van aanvullende onderzoeksactiviteiten, het rapport voor diens rekening. Met het Uwv wordt geoordeeld dat deze werkwijze voor de primaire fase in overeenstemming is met de vaste rechtspraak van de Raad.

4.4.

In de bezwaarfase dient een volledige heroverweging plaats te vinden waarbij de feiten juist worden vastgesteld en de conclusies logisch uit die feiten voortvloeien. Daarom zal, indien de medische grondslag van de besluitvorming wordt betwist, in deze fase van de procedure een louter dossieronderzoek als regel niet volstaan (zie ook de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG1543). De zorgvuldigheid van de besluitvorming in bezwaar brengt verder met zich dat in situaties als de onderhavige, waarin de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd wordt betwist en waarin in de primaire fase geen sprake is geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat in de fase van bezwaar de betrokkene door een verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens een spreekuurcontact wordt onderzocht en er dus feitelijk sprake is van een contact met deze verzekeringsarts. Van een spreekuurcontact kan in zo’n situatie in beginsel slechts worden afgezien indien de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft. Dit betekent tevens dat het toetsen en akkoord bevinden van de medische heroverweging door medeondertekening door een geregistreerde verzekeringsarts bezwaar en beroep, niet volstaat als deze toets beperkt blijft tot de vraag of de inhoud logisch en consistent is (zie de uitspraak van de Raad van 13 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4018), als deze slechts geschiedt op hoofdlijnen of als door de geregistreerde verzekeringsarts bezwaar en beroep slechts wordt bezien of deze tot de eerder getrokken conclusies zou hebben kunnen komen.

4.5.

Toepassing van deze uitgangspunten leidt tot het oordeel dat het medisch onderzoek in de bezwaarfase niet met de vereiste zorgvuldigheid is geschied. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het rapport van de arts bezwaar en beroep medeondertekend. Er is geen spreekuurcontact bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep geweest. Een motivering daarvoor is in het rapport van 1 maart 2018 niet gegeven. Met het in hoger beroep overgelegde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 januari 2019 is de zorgvuldigheid van het onderzoek nog steeds onvoldoende. Immers, de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich bij het opstellen van dit rapport slechts gebaseerd op de in het dossier aanwezige medische informatie en er is nog steeds geen spreekuurcontact geweest, terwijl ook in dit rapport niet wordt gemotiveerd waarom de klachten van appellante en de aanwezige medische gegevens aanleiding geven om van een spreekuurcontact af te zien.

5. Uit 4.2 tot en met en 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd.

6. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

7. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep open staat.

8. Over het verzoek van appellante om een vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wordt op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb het volgende overwogen. Niet zeker is hoe het nieuw te nemen besluit zal luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door appellante schade is geleden. Het verzoek om een vergoeding van schade zal daarom worden afgewezen. Het ligt voor de hand dat het Uwv bij de nadere besluitvorming mede beoordeelt of hiervoor, gelet op de uitkomst, aanleiding bestaat.

9. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt aan de onderhavige zaak een gemiddeld gewicht toegekend en is de waarde per punt € 534,-. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 15,24 aan reiskosten en op € 1.068,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 43,64 aan reiskosten, in totaal € 2.194,88.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 maart 2018;

- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen dit nieuwe besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Raad;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 2.194,88;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2021.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) A.M.M. Chevalier