Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
19/958 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:2698, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inlichtingenverplichting. Geen boete maar waarschuwing. Appellant heeft gemeld dat hij werk had gevondenen en dat zijn inkomsten ongeveer € 1.700,- bedroegen. De verwachte inkomsten lagen ruim boven de voor appellant geldende bijstandsnorm. Onder deze omstandigheden rustte op appellant niet de verplichting om spontaan gegevens over de hoogte van het loon per maand of loonspecificaties te verstrekken. Appellant heeft niet de inlichtingenverplichting geschonden door deze gegevens niet spontaan te verstrekken. Met het opvragen van de loonoverzichten bij het opschortingsbesluit is wel de verplichting ontstaan om inlichtingen over de hoogte van het loon over die maanden aan het college mee te delen. Appellant heeft deze gegevens naar aanleiding daarvan niet tijdig en volledig verstrekt zodat appellant daarmee wel de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college is daarom gehouden met toepassing van artikel 18a, derde en vierde lid, van de PW een bestraffende sanctie op te leggen. Van een benadelingsbedrag als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is geen sprake. De Raad herroept de boete en legt een waarschuwing op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/2093
USZ 2021/266 met annotatie van Nacinovic, H.W.M.
ABkort 2021/433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 958 PW

Datum uitspraak: 22 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2019, 18/4382 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Appellant heeft vragen van de Raad beantwoord en een nadere uiteenzettingen gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 16 februari 2021. Appellant, daartoe opgeroepen, heeft daaraan deelgenomen, bijgestaan door mr. El Idrissi. Het college heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. M.A.C. Kooij.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 25 november 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met toepassing van de kostendelersnorm voor één kosten delende medebewoner.

1.2.

Op 10 april 2017 heeft appellant een arbeidsovereenkomst getekend met uitzendbureau X. Op 11 april 2017 heeft appellant, zo blijkt uit de geregistreerde contacthistorie, het college telefonisch laten weten dat hij werk heeft. Op 25 april 2017 heeft het college een door de gemachtigde van appellant ingezonden wijzigingsformulier ontvangen. Hierop heeft appellant vermeld dat hij per 10 april 2017 is gaan werken voor ongeveer € 1.700,-. Bij de vraag op het formulier of het inkomen per maand wijzigt heeft appellant “ja” aangekruist.

1.3.

Naar aanleiding van een inkomstensignaal van het Inlichtingenbureau dat appellant inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, heeft het college bij besluit van 1 september 2017 (opschortingsbesluit) het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 september 2017 opgeschort. Het college heeft appellant hierbij meegedeeld dat hij informatie van appellant nodig heeft om de uitkering opnieuw te berekenen. Appellant moet ervoor zorgen dat het college uiterlijk 11 september 2017, voor zover hier van belang, de loonoverzichten van 27 maart 2017 tot en met 31 augustus 2017 heeft ontvangen. Dit besluit staat in rechte vast.

1.4.

Bij besluit van 13 september 2017 heeft het college de bijstand van appellant vanaf 27 maart 2017 gestopt (lees: ingetrokken), omdat appellant het college niet alle gevraagde informatie heeft gegeven waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Volgens het college heeft appellant voldoende inkomsten uit arbeid om zijn kosten van levensonderhoud zelf te betalen. Het college heeft daarnaast de over de periode van 27 maart 2017 tot en met 31 augustus 2017 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.820,96 van appellant teruggevorderd. Ook het besluit van 13 september 2017 staat in rechte vast.

1.5.

Bij brief van 13 september 2017 heeft een medewerker, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, appellant in kennis gesteld van het voornemen van het college om hem wegens schending van de inlichtingenverplichting een boete op te leggen. Appellant is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven over de boete. Appellant heeft geen zienswijze ingediend.

1.6.

Bij besluit van 18 januari 2018, zoals gewijzigd bij besluit van 4 mei 2018, heeft het college aan appellant een boete opgelegd van € 1.269,43. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden omdat hij zijn inkomsten vanaf 27 maart 2017 niet tijdig heeft verantwoord. Het college is daarbij uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Het college heeft op grond van de Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Rotterdam 2017 (Beleidsregels) daarnaast een verlaging van 5% op de boete toegepast wegens het tijdsverloop tussen het voornemen van 13 september 2017 en het boetebesluit van 18 januari 2018.

1.7.

Bij besluit van 30 juli 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2018, zoals gewijzigd bij besluit van 4 mei 2018, gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete verlaagd naar € 541,54, wat 20% is van het benadelingsbedrag, dat is bepaald op € 2.707,74. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat sprake is van gedeelde verwijtbaarheid, wat volgens de Beleidsregels leidt tot een boete van 25% van het benadelingsbedrag, en heeft de korting van 5% wegens het tijdsverloop tussen het boetevoornemen en het boetebesluit gehandhaafd. Appellant heeft tijdig doorgegeven aan het werk te zijn maar hij heeft de inlichtingenverplichting geschonden omdat hij heeft nagelaten loongegevens zoals de loonstroken te verstrekken. Het college was op de hoogte van de werkzaamheden maar heeft nagelaten in te grijpen terwijl dat redelijkerwijs wel mogelijk was. Het college is voor de berekening van het benadelingsbedrag uitgegaan van 10 april 2017 als startdatum van de werkzaamheden omdat die datum op het ingediende wijzigingsformulier staat en in de in 1.2 vermelde arbeidsovereenkomst.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 18a van de PW legt het college een bestuurlijke boete op indien een belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete staan in de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12. Deze uitspraak geldt ook voor artikel 18a van de PW en de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze sinds 1 januari 2017 luiden.

4.2.

Een boeteoplegging wordt aangemerkt als het instellen van een strafvervolging. Artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bevat de waarborg dat eenieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. Deze waarborg brengt mee dat de bijstandverlenende instantie feiten moet stellen en, voor zover betwist, moet aantonen dat de betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund. Vergelijk de uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024. De bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde, is dus zwaarder dan die bij beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden. Het college dient dan ook aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden om een boete op te leggen.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij ten onrechte een boete heeft gekregen omdat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Appellant heeft, zowel telefonisch als door middel van het wijzigingsformulier, in april 2017 gemeld dat hij werk had gevonden. Gelet op de door hem opgegeven hoogte van zijn inkomsten van ongeveer € 1.700,-, was het duidelijk dat hij geen bijstand meer nodig had.

4.4.

Niet in geschil is dat appellant op 11 april 2017 telefonisch heeft gemeld dat hij werk had gevonden en dat hij op het wijzigingsformulier in april heeft doorgegeven dat hij op 10 april 2017 aan het werk is gegaan en dat zijn inkomsten ongeveer € 1.700,- bedroegen. Ook is niet in geschil dat appellant daarna geen inkomsten heeft doorgegeven of loonstroken heeft overgelegd. Uit het bestreden besluit, zoals nader toegelicht ter zitting van de Raad, leidt de Raad af dat het college zich op het standpunt stelt dat appellant wel melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden, maar dat appellant heeft nagelaten om uit eigen beweging zijn inkomsten aan het college door te geven of loonstroken over te leggen. Daarnaast heeft appellant niet gereageerd op het verzoek dat het college in het opschortingsbesluit heeft gedaan. Het college gaat er daarmee echter aan voorbij dat appellant onverwijld en uit zichzelf, ook via een wijzigingsformulier, heeft gemeld dat hij werk heeft en welke inkomsten hij naar verwachting daaruit zal hebben. De verwachte inkomsten lagen ruim boven de voor appellant geldende bijstandsnorm. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van het college om, als het college nadere informatie nodig heeft voor de beoordeling van de bijstandbehoevendheid, deze aan appellant te vragen met toepassing van artikel 53a, eerste lid, van de PW en rustte op appellant niet de verplichting om spontaan gegevens over de hoogte van het loon per maand of loonspecificaties te verstrekken. Het college heeft pas op 1 september 2017 met het onder 1.2 genoemde opschortingsbesluit gevraagd om - uiterlijk 11 september 2017 - loonoverzichten in te leveren. Dit betekent dat eerder geen sprake was van schending van de inlichtingenverplichting.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het bestreden besluit, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet deugdelijk is gemotiveerd en om die reden moet worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 18 januari 2018, zoals gewijzigd bij besluit van 4 mei 2018, te herroepen en met toepassing van artikel 8:72a van de Awb een waarschuwing te geven. In dit verband wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

Het college heeft bij het opschortingsbesluit van 1 september 2017, voor zover hier van belang, de loonoverzichten bij appellant opgevraagd. Daarmee was er de verplichting om inlichtingen over de hoogte van het loon over die maanden aan het college mee te delen. Niet in geschil is dat appellant deze gegevens naar aanleiding daarvan niet tijdig en volledig heeft verstrekt zodat appellant daarmee wel de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college is daarom gehouden met toepassing van artikel 18a, derde en vierde lid, van de PW een bestraffende sanctie op te leggen.

4.5.2.

Voor de vaststelling van de hoogte van de boete vormt het benadelingsbedrag het uitgangspunt. Dit benadelingsbedrag kan in beginsel gesteld worden op het nettobedrag dat het college wegens schending van de inlichtingenverplichting heeft teruggevorderd of zou kunnen terugvorderen. Gelet op de opschorting van het recht op bijstand per 1 september 2017 is van een benadelingsbedrag als gevolg van de in 4.5.1 bedoelde schending van de inlichtingenverplichting geen sprake.

4.5.3.

Artikel 2aa, eerste lid, aanhef en onder a, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten bepaalt dat het bestuursorgaan kan afzien van een bestuurlijk boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien de overtreding van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag of het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,-. Het college geeft op grond van artikel 2, zevende lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels een waarschuwing in plaats van een boete indien er geen sprake is van een benadelingsbedrag. In dit geval diende het college daarom een schriftelijke waarschuwing te geven. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb wordt hierin voorzien.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- in beroep en op € 1.068,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal een bedrag van € 2.136,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 juli 2018;

  • -

    herroept het besluit van 18 januari 2018, zoals gewijzigd bij besluit van 4 mei 2018;

  • -

    geeft appellant wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een waarschuwing en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 30 juli 2018;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.136,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 175,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge als voorzitter en A.M. Overbeeke en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2021.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) B. Beerens