Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
20/277 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft terecht de WW-uitkering van betrokkene per 7 april 2014 en per 8 februari 2016 ingetrokken vanwege de omstandigheid dat betrokkene vanaf 5 april 2014 respectievelijk 6 februari 2016 buiten Nederland heeft verbleven anders dan wegens vakantie, terwijl betrokkene dit niet aan het Uwv heeft gemeld. Hieruit volgt dat het Uwv de aan betrokkene verleende toestemming om per 20 mei 2014 respectievelijk per 14 maart 2016 met behoud van zijn WW-uitkering in Polen naar werk te zoeken ook terecht heeft ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20/277 WW en 20/278 WW

Datum uitspraak: 17 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 december 2019, 18/4789 en 18/4951 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats 1] , Polen (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. T. Kocabas, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 6 mei 2021. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen LLB. Betrokkene was aanwezig, bijgestaan door
mr. Y. Habib, kantoorgenoot van mr. Kocabas. Als tolk was aanwezig K. Sikorska.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft op 10 april 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft hij vermeld dat hij laatstelijk werkzaam is geweest via [Uitzendbureau] Uitzendbureau ( [Uitzendbureau] ). Bij besluit van 7 mei 2014 heeft het Uwv aan betrokkene met ingang van 7 april 2014 een WW-uitkering toegekend.

1.2.

Nadat betrokkene daar schriftelijk om had verzocht, heeft het Uwv bij besluit van 5 juni 2014 aan betrokkene toestemming verleend om met behoud van zijn WW-uitkering in Polen naar werk te zoeken in de periode van 20 mei 2014 tot en met 6 juli 2014. De WW-uitkering is beëindigd per 7 juli 2014 wegens het verstrijken van de uitkeringsduur.

1.3.

Betrokkene heeft op 13 februari 2016 opnieuw een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 22 februari 2016 heeft het Uwv aan betrokkene met ingang van 8 februari 2016 een WW-uitkering toegekend.

1.4.

Nadat betrokkene daar schriftelijk om had verzocht, heeft het Uwv bij besluit van

7 maart 2016 aan betrokkene toestemming verleend om met behoud van zijn WW-uitkering in Polen naar werk te zoeken van 14 maart 2016 tot en met 7 mei 2016. De WW-uitkering is beëindigd per 8 mei 2016 wegens het verstrijken van de uitkeringsduur.

1.5.

Naar aanleiding van meldingen is het vermoeden ontstaan dat Poolse (ex-)werknemers van [Uitzendbureau] hebben gefraudeerd bij het aanvragen van hun WW-uitkeringen in die zin dat zij direct na het beëindigen van hun dienstverband naar Polen zijn teruggekeerd. Op verzoek van het Uwv heeft de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) hiernaar een onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek heeft ISZW de beschikking gekregen over een aantal administratieve gegevens van [Uitzendbureau] , waaronder een excelbestand dat een lijst met aankomst- en vertrekgegevens omvat van Poolse werknemers in dienst van [Uitzendbureau] . Dit bestand is door ISZW aangeduid als DOC-007-01 (lijst DOC-007-01). Tevens is de beschikking verkregen over een lijst met administratieve gegevens van [Uitzendbureau] waarop alle vertrekdata van werknemers van [Uitzendbureau] staan, ook van degenen die met eigen vervoer naar Polen terugreisden. Dit bestand wordt in navolging van ISZW aangeduid als Powroty-lijst. Uit het door de ISZW verrichte onderzoek is onder andere [naam 1] naar voren gekomen als tussenpersoon die Poolse (ex-)werknemers van [Uitzendbureau] zou hebben gefaciliteerd bij het verkrijgen van een WW-uitkering. Daarbij zouden zowel [naam 1] als de aanvrager hebben geweten dat de aanvrager meteen op het moment dat deze niet meer werkzaam is, naar Polen afreist. De WW-aanvragen zouden dus zijn gedaan op het moment dat de Poolse werknemers niet meer in Nederland verbleven. Naar aanleiding van deze uitkomsten van het door ISZW verrichte onderzoek heeft het Uwv een onderzoek ingesteld, waarbij ook informatie uit het door ISZW verrichte onderzoek is betrokken. De bevindingen van het onderzoek door het Uwv zijn neergelegd in een ‘Onderzoeksrapport Uwv Themaonderzoek IOWA’ (onderzoeksrapport) van 17 november 2017. Op basis van de bevindingen in het onderzoeksrapport heeft het Uwv de hierna volgende besluiten genomen.

1.6.

Bij besluit van 9 maart 2018 (besluit 1) heeft het Uwv de WW-uitkering van betrokkene per 7 april 2014 en per 8 februari 2016 beëindigd (lees: ingetrokken) wegens schending van de inlichtingenplicht. Betrokkene heeft namelijk niet aan het Uwv gemeld dat hij zich in het buitenland bevindt. Dit betekent dat betrokkene geen recht heeft op een WW-uitkering en dat hij deze uitkering ten onrechte heeft ontvangen.

1.7.

Bij besluit van 13 maart 2018 (besluit 2) heeft het Uwv de besluiten van 5 juni 2014 en van 7 maart 2016, waarbij betrokkene toestemming is verleend om met behoud van WWuitkering in Polen naar werk te zoeken, ingetrokken. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat betrokkene al voor het begin van de WW-uitkering naar Polen is vertrokken. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten 1 en 2.

1.8.

Bij beslissing op bezwaar van 5 juli 2018 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Bij beslissing op bezwaar van 20 juli 2018 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Aan de beide bestreden besluiten heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat betrokkene op de Powroty-lijst staat als zijnde vertrokken naar Polen op 5 april 2014 en op 6 februari 2016. Daarnaast is uit het onderzoek door ISZW gebleken dat betrokkene niet heeft kunnen verblijven op de door hem bij de WW-aanvragen opgegeven adressen [adres 1] te [woonplaats 2] en [adres 2] te [woonplaats 2] , omdat deze adressen zeer waarschijnlijk als postadres zijn gebruikt. Betrokkene heeft ook niet aangetoond dat hij op de voormelde adressen heeft verbleven. Uit de door betrokkene overgelegde bankafschriften blijkt dat er pinbetalingen in Nederland hebben plaatsgevonden, maar het is niet duidelijk of betrokkene deze betalingen heeft verricht. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat betrokkene op 5 april 2014 en op 6 februari 2016 naar Polen is vertrokken. Betrokkene heeft dit niet gemeld aan het Uwv. Hiermee heeft hij zijn inlichtingenplicht overtreden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van betrokkene tegen bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en de primaire besluiten 1 en 2 herroepen. Hierbij heeft de rechtbank beslissingen gegeven over proceskosten en vergoeding van griffierecht aan betrokkene.

2.1.

De rechtbank heeft overwogen dat het gaat om belastende besluiten, zodat het aan het Uwv is om aannemelijk te maken dat betrokkene geen recht had op een WW-uitkering vanaf 7 april 2014 en vanaf 8 februari 2016 op de grond dat hij niet in Nederland verbleef. Hierin is het Uwv naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank heeft aan het feit dat betrokkene staat vermeld op de lijst DOC-007-01 en de Powroty-lijst en dat hij ter zitting heeft erkend dat hij niet heeft gewoond op de door hem opgegeven adressen, geen doorslaggevende betekenis toegekend. Dit betekent namelijk niet dat betrokkene niet in Nederland heeft verbleven. Betrokkene kan immers op een ander adres hebben gewoond. Ook heeft de rechtbank van belang geacht dat uit een salarisspecificatie van 17 april 2014 van de week van 7 tot en met 13 april 2014 blijkt dat hij in deze week in Nederland werkzaam is geweest.

2.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene vanaf 5 april 2014 en vanaf 6 februari 2016 niet meer in Nederland verbleef. Dit betekent dat het Uwv ten onrechte de WW-uitkering heeft ingetrokken. Ook heeft het Uwv ten onrechte de toestemming om de WW-uitkering naar Polen te exporteren ingetrokken.

3.1.

Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegde feiten afzonderlijk en niet in onderlinge samenhang heeft bezien. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat hij met de Powroty-lijst en de onduidelijkheid over het woonadres van betrokkene na afloop van het dienstverband met [Uitzendbureau] aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene vanaf 5 april 2014 en vanaf 6 februari 2016 niet meer in Nederland verbleef. Betrokkene is er niet in geslaagd om met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat het standpunt van het Uwv onjuist is. De door betrokkene overgelegde bankafschriften zijn hiervoor onvoldoende. Over de door betrokkene overgelegde salarisspecificatie van week 15 van het jaar 2014 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat dit een nabetaling betreft. Hiertoe heeft het Uwv gemotiveerd dat betrokkene de eerste werkloosheidsdag van 7 april 2014, die is vermeld op het WW-aanvraagformulier van 10 april 2014, niet eerder heeft betwist. Betrokkene heeft in de correspondentie met het Uwv meerdere keren verklaard dat hij na
7 april 2014 niet meer heeft gewerkt. Het Uwv volgt daarom niet het standpunt van betrokkene dat hij in de week van 7 tot en met 13 april 2014 nog werkzaam is geweest in Nederland.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Betrokkene is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 5 april 2014 respectievelijk 6 februari 2016 in Polen verbleef. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan door betrokkene te leveren tegenbewijs. Desalniettemin komt uit de door betrokkene overgelegde bankafschriften naar voren dat hij in Nederland verbleef na 13 september 2014 (lees: 5 april 2014 respectievelijk 6 februari 2016). Hieruit blijkt namelijk dat er na 5 april 2014 en 6 februari 2016 nog pintransacties zijn verricht in Nederland. Over de Powroty-lijst heeft betrokkene aangevoerd dat hij deze lijst niet kent en dat hij geen invloed heeft gehad op de totstandkoming van deze lijst.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 64 van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (Vo 883/2004, de basisverordening) behoudt de volledig werkloze die voldoet aan de bij de wetgeving van de bevoegde lidstaat gestelde voorwaarden om recht te hebben op uitkeringen en die zich naar een andere lidstaat begeeft om werk te zoeken, het recht op werkloosheidsuitkering onder de in die bepaling opgenomen voorwaarden en beperkingen. Een van de voorwaarden die worden gesteld in artikel 64 van Vo 883/2004 is dat de werkloze voor vertrek gedurende ten minste vier weken na de aanvang van zijn werkloosheid als werkzoekende ingeschreven is geweest en ter beschikking is gebleven van de diensten voor arbeidsvoorziening van de bevoegde lidstaat. Er kan echter toestemming worden verleend voor eerder vertrek. Het recht op uitkering wordt gehandhaafd gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf de datum waarop de werkloze niet langer ter beschikking stond van de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat die hij heeft verlaten.

4.1.2.

In artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW is bepaald dat geen recht op uitkering heeft de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.

4.1.3.

In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de werknemer geen recht op uitkering meer heeft op grond van artikel 19.

4.1.4.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW trekt het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

4.1.5.

Artikel 25 van de WW, voor zover van belang, bepaalt dat de werknemer verplicht is het Uwv op hijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet hijn dat hij van invloed kunnen hijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.

4.2.

Ter beoordeling ligt voor of het Uwv terecht de WW-uitkering heeft ingetrokken per

7 april 2014 en per 8 februari 2016 op de grond dat betrokkene al voorafgaand aan deze data, namelijk per 5 april 2014 en per 6 februari 2016, in het buitenland (Polen) verbleef anders dan wegens vakantie.

4.3.

De besluiten tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering van betrokkene zijn belastende besluiten, waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat betrokkene vanaf 22 september 2014 buiten Nederland heeft verbleven. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van betrokkene om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:186).

4.4.

Het Uwv heeft aan de bestredenen besluiten ten grondslag gelegd dat de naam van betrokkene is vermeld op de Powroty-lijst met 5 april 2014 en 6 februari 2016 als vertrekdata naar Polen. Ook heeft het Uwv aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat betrokkene het Uwv onjuist heeft geïnformeerd over zijn verblijfsadres vanaf 5 april 2014 en vanaf 6 februari 2016 en dat betrokkene geen enkele duidelijkheid heeft kunnen verschaffen over zijn daadwerkelijke verblijfplaats na afloop van de dienstverbanden met [Uitzendbureau] .

4.5.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, vormt het feit dat betrokkene op de
Powroty-lijst staat met als data 5 april 2014 en 6 februari 2016 voor terugkeer naar Polen een indicatie dat betrokkene ook daadwerkelijk op deze data naar Polen is vertrokken. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat [naam 2] , directeur van [Uitzendbureau] , op 7 maart 2017 tegenover een medewerker van het Uwv heeft verklaard dat zowel de lijst DOC00701 als de Powroty-lijt zijn verkregen van een vestiging van [Uitzendbureau] in Polen. [naam 2] heeft toegelicht dat op de lijst DOC-007-01 is bijgehouden op welke datum een werknemer is vertrokken naar Nederland om daar te gaan werken en op welke datum de werknemer weer is teruggekeerd naar Polen. Voor de vestiging van [Uitzendbureau] in Nederland was deze lijst van belang, omdat daaruit blijkt welke personen beschikbaar zijn voor werk in Nederland en voor de vestiging van [Uitzendbureau] in Polen was deze lijst van belang, omdat daaruit blijkt welke personen beschikbaar zijn voor werk in Polen. Ook heeft [naam 2] verklaard dat de werknemers na afloop van het dienstverband met [Uitzendbureau] en ook als werknemers voor een korte vakantie terug gaan naar Polen, de door [Uitzendbureau] geregelde verblijfsplaats moesten verlaten. Verder speelde daarbij een rol dat het vervoer van en naar Nederland en Polen werd geregeld door [Uitzendbureau] . Het was bij [Uitzendbureau] bekend dat er werknemers zijn die zelf vervoer regelen voor de terugreis naar Polen. Deze werknemers kunnen dit aangeven bij [Uitzendbureau] en hiervan werd een lijst bijgehouden. Het is namelijk in het verleden voorgekomen dat de bus van Nederland naar Polen bijna leeg was en dit wilde [Uitzendbureau] voorkomen. Gelet op het belang van [Uitzendbureau] bij het bijhouden van de lijsten en de accuraatheid daarvan, zoals dit volgt uit de verklaring van [naam 2] , is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens op de Powroty-lijst. Daarbij heeft het Uwv in aanmerking kunnen nemen dat betrokkene geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn verblijfsplaats in Nederland in de periode van 5 april 2014 tot en met 19 mei 2014 en in de periode van 6 februari 2016 tot en met 13 maart 2016. Op het door betrokkene op 10 april 2014 ondertekende WW-aanvraagformulier is als adres vermeld: [adres 1] te [woonplaats 2] . Op het door betrokkene op 13 februari 2016 ondertekende WW-aanvraagformulier is als adres vermeld: [adres 2] te [woonplaats 2] . Betrokkene heeft ter zitting bij de rechtbank erkend dat hij niet op deze beide adressen heeft gewoond. Betrokkene heeft verklaard dat hij deze adressen op advies van [naam 1] heeft opgegeven als valse woonadressen. Betrokkene heeft niet inzichtelijk of aannemelijk gemaakt op welke adressen in Nederland hij heeft verbleven vanaf 5 april 2014 respectievelijk vanaf 6 februari 2016. Het Uwv heeft betrokkene in het kader van het in 1.5 omschreven onderzoek meerdere keren benaderd met het verzoek een afspraak met het Uwv te maken en/of nadere informatie over zijn woon- en leefsituatie gedurende de uitkeringsperiode te leveren. In reactie hierop heeft betrokkene bankafschriften
overgelegd van de periodes van 6 januari 2016 tot en met 6 november 2017 en van 28 maart 2014 tot en met 22 september 2014. Hierop staan pintransacties in [woonplaats 2] in de maanden april en mei 2014. Ook in bezwaar heeft het Uwv betrokkene om verifieerbare informatie over zijn verblijfsplaats gevraagd. In reactie hierop heeft betrokkene onder meer bankafschriften overgelegd van zijn Poolse bankrekening. Deze Poolse bankafschriften zien echter niet op de uitkeringsperiodes. Betrokkene heeft met de door hem overgelegde gegevens niet inzichtelijk of aannemelijk gemaakt dat hij in Nederland verbleef tijdens de in deze zaak in geding zijnde periodes. Uit de summiere transactiegegevens volgt geen informatie over de woon of verblijfplaats van betrokkene. Geoordeeld wordt daarom dat het Uwv met de Powroty-lijst, in samenhang bezien met de onduidelijkheid over de daadwerkelijke verblijfsplaats van betrokkene na afloop van de dienstverbanden met [Uitzendbureau] , aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene per 5 april 2014 en per 6 februari 2016 naar Polen is vertrokken.

4.6.

Het lag vervolgens op de weg van betrokkene om met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat het standpunt van het Uwv onjuist is. Hierin is betrokkene niet geslaagd. Over de door betrokkene overgelegde bankafschriften wordt, zoals hiervoor, overwogen dat hieraan geen feitelijkheden zijn te ontlenen over zijn daadwerkelijke verblijfsplaats na 5 april 2014 en na 6 februari 2016. Met de door betrokkene overgelegde salarisspecificatie van week 15 van het jaar 2014 heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat hij in de week na 7 april 2014 nog in Nederland heeft gewerkt. Het standpunt van het Uwv hierover, zoals weergegeven in overweging 3.1, wordt gevolgd.

4.7.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het Uwv terecht de WW-uitkering van betrokkene per 7 april 2014 en per 8 februari 2016 heeft ingetrokken vanwege de omstandigheid dat betrokkene vanaf 5 april 2014 resepectievelijk 6 februari 2016 buiten Nederland heeft verbleven anders dan wegens vakantie, terwijl betrokkene dit niet aan het Uwv heeft gemeld. Hieruit volgt dat het Uwv de aan betrokkene verleende toestemming om per 20 mei 2014 respectievelijk per 14 maart 2016 met behoud van zijn WW-uitkering in Polen naar werk te zoeken ook terecht heeft ingetrokken.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De beroepen tegen de besluiten van 5 juli 2018 en 20 juli 2018 zullen ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 5 juli 2018 en 20 juli 2018 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2021.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) L.R. Kokhuis