Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
19/3165 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:4960, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het procesbelang van appellant is komen te vervallen. Het Uwv is met bestreden besluit II volledig tegemoetgekomen aan wat appellant met dit hoger beroep wilde bereiken, namelijk dat er geen verplichtingen met betrekking tot re-integratie aan hem worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3165 WIA

Datum uitspraak: 22 januari 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

25 juni 2019, 18/5876 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft op 20 februari 2020 een gewijzigd besluit op bezwaar genomen. Appellant heeft hierop gereageerd.

Op 21 april 2020 heeft appellant gereageerd op een vraag van de Raad.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

1.2.

Op 22 februari 2018 heeft het Uwv een Werkplan voor de re-integratie van appellant opgesteld.

1.3.

Bij besluit van 8 oktober 2018 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit Werkplan ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij niet in staat is om aan de re‑integratieverplichtingen van het Werkplan te voldoen.

3.2.

Het Uwv heeft tijdens de procedure in hoger beroep bestreden besluit 1 niet gehandhaafd en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Bij beslissing van 20 februari 2020 (bestreden besluit II) heeft het Uwv vastgesteld dat het Werkplan niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat het Werkplan niet is gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. Het bezwaar van appellant tegen het Werkplan is alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

3.3.

Appellant heeft in reactie op bestreden besluit II te kennen gegeven dat er wel degelijk sprake is van een besluit omdat hij zich moet houden aan het Werkplan en de daarin beschreven verplichtingen. In reactie op de vraag van de Raad naar het procesbelang bij een beoordeling van bestreden besluit II in hoger beroep, heeft appellant een oordeel verzocht over zijn bezwaren tegen het Werkplan.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Onderwerp van geschil in deze zaak betreft het Werkplan van 22 februari 2018. Het Uwv heeft bij besluit van 20 februari 2020 (bestreden besluit II) het bezwaar van appellant

niet-ontvankelijk verklaard en vastgesteld dat het Werkplan van 22 februari 2018 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb omdat het niet is gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. In het Werkplan is geen verplichting opgelegd om aan het beschreven traject deel te nemen en er is niet vermeld wat de consequenties zijn als appellant niet aan het traject zal deelnemen. Dit standpunt van het Uwv wordt onderschreven. Zoals de Raad vaker heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 25 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:598), kan een werkplan gericht zijn op een zelfstandig rechtsgevolg als de uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen in het werkplan zodanig helder, inzichtelijk, ondubbelzinnig en voldoende bepaald zijn geformuleerd dat kan worden gesteld dat met het werkplan is beoogd een zelfstandig rechtsgevolg te doen ontstaan. De inhoud van het onderhavige werkplan voldoet niet aan deze criteria.

4.2.

Nu uit bestreden besluit II volgt dat er geen besluit is waaruit voor appellant re‑integratieverplichtingen voortvloeien is met bestreden besluit II dan ook geheel aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. Dit betekent, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, dat het nadere besluit niet in het geding wordt betrokken.

4.3.

Appellant heeft te kennen gegeven dat hij een oordeel wil van de Raad over de bezwaren die hij had aangevoerd tegen het Werkplan van 22 februari 2018.

4.4.

Van voldoende procesbelang is sprake als het resultaat dat de indiener van het hogerberoepschrift met het indienen van het hoger beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Uit vaste rechtspraak volgt dat de bestuursrechter alleen is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:327). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874).

4.5.

Het procesbelang van appellant is komen te vervallen. Het Uwv is met bestreden besluit II volledig tegemoetgekomen aan wat appellant met dit hoger beroep wilde bereiken, namelijk dat er geen verplichtingen met betrekking tot re-integratie aan hem worden opgelegd. Dit betekent dat appellant geen in rechte te respecteren procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit hoger beroep.

4.6.

Het hoger beroep van appellant zal wegens het ontbreken van procesbelang niet‑ontvankelijk worden verklaard.

5. Omdat het Uwv in hoger beroep bestreden besluit II heeft genomen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 534,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift). In totaal wordt het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.602,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 1.602,-;

- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2021.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M. Graveland