Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1457

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
19/4578 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangevallen uitspraak 1: Het Uwv heeft het recht van appellante op ziekengeld beëindigd op grond van artikel 19aa, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW, omdat appellante geschikt is geacht tot het verrichten van haar arbeid. Aangevallen uitspraak 2: Geen recht op een WIA-uitkering. Zorgvuldig onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er is voldoende inzichtelijk gemaakt dat zich geen wijziging heeft voorgedaan in de medische situatie en belastbaarheid van appellante in de vier weken vanaf 17 september 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4578 ZW, 20/113 WIA

Datum uitspraak: 18 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2019, 18/6559 (aangevallen uitspraak 1), en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2019, 18/6483 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden via videobellen op 12 mei 2021. Namens appellante is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 20 juni 2016 werkzaam als algemeen medewerkster huishoudelijke dienst, toen zij per 10 oktober 2016 voor dit werk werd ziek gemeld. Haar dienstverband is op 10 oktober 2016 geëindigd. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Op 20 juli 2018 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.3.

Op 7 september 2018 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 17 september 2018 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van algemeen medewerkster huishoudelijke dienst. Vervolgens heeft het Uwv met het besluit van 10 september 2018 vastgesteld dat appellante per 17 september 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de ZW. Met een ander besluit van

10 september 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 8 oktober 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij de wachttijd van 104 weken niet heeft vervuld.

1.4.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 september 2018, waarbij het ziekengeld is beëindigd, heeft het Uwv met het besluit van 13 november 2018 (bestreden besluit 1) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de voor het indienen van het bezwaarschrift geldende termijn van twee weken is overschreden en bijzondere omstandigheden, waardoor appellante niet in de gelegenheid was tijdig bezwaar te maken, ontbreken. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 september 2018, waarbij is geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen, heeft het Uwv met een ander besluit van

13 november 2018 (bestreden besluit 2) kennelijk ongegrond verklaard.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij voorop gesteld dat het gaat om een geschil van geneeskundige aard over het al dan niet voortbestaan van ongeschiktheid tot werken. De rechtbank heeft overwogen dat aan het besluit van 10 september 2018 ten grondslag ligt dat het Uwv appellante op grond van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek vanaf 17 september 2018 weer arbeidsgeschikt heeft geacht voor de maatstaf arbeid, de uitkomst van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is neergelegd in een medisch rapport en het bezwaar van appellante is gericht tegen het standpunt van het Uwv inzake de arbeidsongeschiktheid. Het standpunt van appellante dat een bezwaartermijn van zes weken geldt, omdat ze vangnetter is, heeft zij niet nader onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank wordt aan artikel 19ab van de ZW niet toegekomen omdat bij appellante volgens het Uwv geen sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid. Pas wanneer een verzekerde ongeschikt is voor het eigen werk, wordt op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek beoordeeld of hij in staat is om met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Nu het geschil geen betrekking heeft op een beoordeling als bedoeld in artikel 19ab van de ZW, is het Uwv terecht uitgegaan van een bezwaartermijn van twee weken.

2.2.

De rechtbank heeft met een tussenuitspraak van 22 oktober 2019 over bestreden besluit 2 geoordeeld dat uit de stukken niet volgt dat een zelfstandige beoordeling van de vraag of de wachttijd is vervuld heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is bestreden besluit 2 daarom onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv is in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen door de vraag te beantwoorden of er vanaf 17 september 2018 sprake is geweest van het opnieuw intreden van arbeidsongeschiktheid. In dat geval zou de wachttijd, na een onderbreking, kunnen zijn vervuld.

2.3.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in vergoeding van de proceskosten die appellante in beroep heeft gemaakt en bepaald dat het Uwv het griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft overwogen dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak nader onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van

11 november 2019 gemotiveerd dat de problematiek van appellante chronisch is dan wel al vele maanden bestaat en dat op basis daarvan niet aannemelijk is dat in de vier weken na het medisch onderzoek door de verzekeringsarts een significante wijziging in de medische situatie of belastbaarheid is opgetreden. Ook blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet uit de stukken dat in die periode een andere pathologie is ontstaan op grond waarvan alsnog arbeidsongeschiktheid voor de verzekerde arbeid moet worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende zorgvuldig onderzoek verricht en voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat zich geen wijziging heeft voorgedaan in de medische situatie en belastbaarheid van appellante in de vier weken na 17 september 2018.

3.1.

In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellante herhaald dat de bezwaartermijn geen twee weken, maar zes weken bedraagt. Er had een beoordeling op grond van artikel 19ab van de ZW moeten plaatsvinden, omdat appellante vangnetter is. In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellante herhaald dat het onderzoek door het Uwv niet toereikend is . De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet aangetoond met medische feiten dat er in de vier weken vanaf 17 september 2018 zich geen wijziging heeft voorgedaan. .Er is geen navraag gedaan bij appellante of haar behandelaars en er heeft geen lichamelijk of psychisch onderzoek plaatsgevonden. De beoordeling van het Uwv berust op de gegevens die in het kader van de ZW aan de orde waren, zodat alsnog doorslaggevende betekenis is toegekend aan de hersteldverklaring. Daarnaast heeft appellante met betrekking tot aangevallen uitspraak 2 gesteld dat het Uwv ten onrechte niet is veroordeeld in de kosten van bezwaar.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

In artikel 19aa, eerste lid, van de ZW is – voor zover hiervan belang – bepaald dat in afwijking van artikel 19 van de ZW de verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte recht heeft op loon, nadat de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht heeft op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde, indien de verzekerde:

a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19; en

b. als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

4.2.

Op grond van artikel 75k van de ZW bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in een geschil als bedoeld in artikel 75j van de ZW twee weken, tenzij het geschil betrekking heeft op een beoordeling als bedoeld in artikel 19ab van de ZW. In artikel 75j van de ZW is bepaald dat paragraaf 3 van de ZW van toepassing is op geschillen van geneeskundige aard over het al dan niet bestaan of voortbestaan van ongeschiktheid tot werken.

4.3.

Niet in geschil is dat appellante een vangnetter is, het besluit van 10 september 2018 op voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat appellante niet binnen twee weken na verzending van dat besluit bezwaar heeft gemaakt. Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht een bezwaartermijn van twee weken heeft gehanteerd.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht is uitgegaan van een bezwaartermijn van twee weken wordt gevolgd. De overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven. De grond van appellante dat een beoordeling op grond van artikel 19ab van de ZW had moeten plaatsvinden, slaagt niet. Het Uwv heeft het recht van appellante op ziekengeld beëindigd op grond van artikel 19aa, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW, omdat appellante geschikt is geacht tot het verrichten van haar arbeid. Gelet hierop is niet toegekomen aan artikel 19aa, eerste lid, aanhef en onder b, en heeft geen beoordeling als bedoeld artikel 19ab van de ZW plaatsgevonden.

4.5.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft een niet-ontvankelijkheidverklaring, vanwege een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is niet gebleken. Appellante heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd op grond waarvan overschrijding van de termijn verschoonbaar kan worden geacht.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2

5.1.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat met het indienen van het aanvullende rapport van 11 november 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek. De gronden die appellante heeft gericht tegen het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ter uitvoering van de tussenuitspraak slagen niet. Nadat appellante een WIA-uitkering heeft aangevraagd, is zij door een verzekeringsarts gezien op zijn spreekuur op 7 september 2018. Hij heeft een arbeidsanamnese en een medische anamnese afgenomen, gevraagd naar de klachten van appellante en psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. De hierbij verkregen informatie en de in het dossier aanwezige medische informatie, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen informatie heeft opgevraagd, maakt het onderzoek niet onzorgvuldig. Niet is gesteld of gebleken dat rond de periode in geding sprake was van een behandeling of het inzetten van een behandeling die een beduidend effect zou kunnen hebben op de mogelijkheden van appellante tot het verrichten van arbeid. Evenmin is gesteld dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Er zijn geen aanwijzingen dat medische informatie over de situatie van appellante op de datum in geding ontbreekt. Anders dan appellante heeft gesteld, heeft het Uwv met het aanvullende onderzoek geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de hersteldverklaring in het kader van de ZW, maar een voldoende zorgvuldige beoordeling verricht op basis van de beschikbare gegevens.

5.2.

De rechtbank wordt ook gevolgd in het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat zich geen wijziging heeft voorgedaan in de medische situatie en belastbaarheid van appellante in de vier weken vanaf 17 september 2018. De overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven. Appellante heeft haart standpunt dat sprake was van een wijziging onvoldoende onderbouwd. Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.

5.3.

Tot slot wordt appellante niet gevolgd in haar stelling dat het Uwv ten onrechte niet is veroordeeld tot vergoeding van de kosten die appellante in verband met behandeling in bezwaar heeft gemaakt. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van bezwaar heeft moeten maken, uitsluitend op verzoek van de belanghebbende vergoed voor zover het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Gelet op het feit dat het Uwv het besluit van 10 september 2018, waarbij de WIA-uitkering is geweigerd, niet heeft herroepen, heeft appellante geen recht op vergoeding van de kosten in bezwaar.

5.4.

Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Aangevallen uitspraak 2 moet, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2021.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) D.S. Barthel