Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
18/3111 WAJONG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2657, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. De gebrekkige emotieregulatie van appellante, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling betrokken. Uit het functioneren van appellante bij [naam bedrijf] kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet worden afgeleid dat haar begeleiding dermate intensief is dat deze leidt tot veel structurele onderbrekingen van het productieproces. Het Uwv heeft er wat betreft de aanwezigheid van basale werknemersvaardigheden in het verweerschrift terecht op gewezen dat uit het rapport van psychologisch onderzoek van februari 2016 blijkt dat appellante een goede werkhouding heeft, zij goed luistert naar instructies, zij vlot van begrip is, zij zelfstandig opstaat en haar afspraken netjes nakomt. Het Uwv heeft verder in het verweerschrift onweersproken gesteld dat de praktijk heeft laten zien dat appellante in staat is op tijd op haar stageplek te komen. De in hoger beroep ingediende stukken leiden niet tot een ander oordeel. Appellante heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het standpunt van het Uwv dat zij een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en ten minste vier uur per dag belastbaar is. Deze voorwaarden behoeven daarom geen verdere bespreking. Er was voor de rechtbank dan ook geen aanleiding een deskundige te benoemen en ook in hoger beroep is daarvoor geen aanleiding. Het financiële onvermogen dat appellante in dit verband heeft gesteld, behoeft daarom geen bespreking. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3111 WAJONG

Datum uitspraak: 17 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 april 2018, 17/7049 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G. van Ek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van (video)bellen plaatsgevonden op

13 januari 2021. Namens appellante is verschenen haar mentor [naam 1] , haar begeleidster bij Amarant [naam 2] en mr. Van Ek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.E.J.P.M. Rutten. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is geboren [geboortedatum] 1999. Zij heeft met een formulier dat het Uwv op

28 oktober 2016 heeft ontvangen een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij heeft appellante vermeld dat zij een verstandelijke handicap en een hechtingsstoornis heeft en gedragsproblematiek kent. Bij de aanvraag heeft appellante een rapport van een in februari 2016 uitgevoerd psychologisch onderzoek gevoegd. Het Uwv heeft vervolgens verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 10 februari 2017 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen, omdat appellante arbeidsvermogen heeft. Bij besluit van 21 september 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het standpunt van het Uwv dat appellante arbeidsvermogen heeft, wordt onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat appellante in staat is om één uur aaneengesloten te werken en beschikt over basale werknemersvaardigheden. De rechtbank heeft overwogen dat dit uit de praktijk ook is gebleken. Uit de in beroep ingebrachte verklaringen van Amarant blijkt niet dat appellante niet één uur aaneengesloten kan werken. Niet in geschil is dat appellante begeleiding nodig heeft bij de problemen die zij ervaart met het zich sociaal passend te gedragen. Het enkele gegeven dat appellante begeleiding nodig heeft betekent niet dat zij geen basale werknemersvaardigheden heeft. In het Compendium Participatiewet is vermeld dat zelfs als er permanent toezicht en intensieve begeleiding nodig is, arbeidsvermogen kan worden aangenomen. Van belang is wel dat de begeleiding geen substantiële onderbreking van het werkproces oplevert. Uit de stukken blijkt niet dat hiervan sprake is. De stelling van appellante dat zij steeds één op één begeleiding nodig heeft, wordt niet (nader) onderbouwd met stukken en blijkt ook niet uit de dossierstukken. Integendeel, tijdens het spreekuur met de verzekeringsarts heeft appellante verklaard dat zij maar soms één op één wordt begeleid en dat er vaker één begeleider op de groep aanwezig is. De rechtbank heeft in het beroep van appellante op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) (Korošec) en financieel onvermogen zelf een deskundige in te schakelen, geen aanleiding gezien om tot benoeming van een deskundige over te gaan. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante in de gelegenheid is gesteld om ter onderbouwing van haar standpunt stukken in te brengen en dat appellante van deze mogelijkheid in beroep ook gebruik heeft gemaakt. Het beginsel van equality of arms is niet geschonden. Ook is er geen twijfel over de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij niet over arbeidsvermogen beschikt.

Appellante heeft gesteld dat zij niet in staat is om gedurende ten minste een periode van een uur aaneengesloten te werken en dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Appellante heeft erop gewezen dat haar tijdens haar stage bij [naam bedrijf] alle ruimte wordt geboden om even stoom af te blazen en haar regelmatig wordt het gevraagd hoe het gaat. Dit alleen al leidt tot regelmatige onderbrekingen van het productieproces. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij moeite heeft met het accepteren van gezag, dat zij boze buien en opstandig gedrag laat zien en dat zij snel is afgeleid. Dit gedrag zal volgens appellante ook een substantiële onderbreking van het werkproces opleveren. Appellante functioneert weliswaar bij [naam bedrijf] , maar haar activiteiten daar zijn een vorm van dagbesteding. De rechtbank heeft volgens appellante verder ten onrechte niet bij haar beoordeling betrokken dat appellante niet in staat is om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen en dus niet in staat is om op tijd op haar werkplek te zijn. Volgens appellante ontbreekt het arbeidsvermogen bovendien duurzaam waarbij zij heeft gewezen op de haar toegekende CIZ-indicatie (VG6). Appellante heeft haar verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige met een beroep op het arrest Korosec en financieel onvermogen zelf een deskundige in te schakelen, herhaald. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verklaringen van 8 juli 2019 en 9 maart 2021 van een gedragskundige van Amarant en informatie van 20 juni 2019 van Amarant over het functioneren van appellante bij [naam bedrijf] ingezonden.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar rapporten van 24 februari 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van

1 maart 2021 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

4.1.2.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of appellante arbeidsvermogen had op 12 januari 2017, de dag dat zij achttien jaar is geworden. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat appellante niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur en niet over basale werknemersvaardigheden beschikt.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Bij onderzoek op 22 december 2016 heeft de Uwv-arts geen beperkingen in het geheugen of de aandacht geobjectiveerd en appellante in staat geacht tot een uur aangesloten werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast toegelicht dat er medisch gezien geen reden is voor een dermate beperkte concentratie of een dermate intensieve begeleiding dat deze leidt tot voortdurende structurele onderbreking van het arbeidsproces. De gebrekkige emotieregulatie van appellante, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling betrokken. Uit het functioneren van appellante bij [naam bedrijf] kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet worden afgeleid dat haar begeleiding dermate intensief is dat deze leidt tot veel structurele onderbrekingen van het productieproces. Dat appellante af en toe stoom moet afblazen en haar regelmatig gevraagd moet worden hoe het gaat, maakt niet dat een substantiële onderbreking van het productieproces plaatsvindt. Gewezen wordt op de nota van Toelichting Wijziging Schattingsbesluit (Stb. 2014, 359) waarin is vermeld dat niet relevant is of er eventueel tijdens het werk toezicht moet worden uitgeoefend, ook al is dat permanent noodzakelijk, en dat het ook niet relevant is of betrokkene het werk even onderbreekt, bijvoorbeeld voor toilet bezoek of om zich te vertreden. Het Uwv heeft er wat betreft de aanwezigheid van basale werknemersvaardigheden in het verweerschrift terecht op gewezen dat uit het rapport van psychologisch onderzoek van februari 2016 blijkt dat appellante een goede werkhouding heeft, zij goed luistert naar instructies, zij vlot van begrip is, zij zelfstandig opstaat en haar afspraken netjes nakomt. Het Uwv heeft verder in het verweerschrift onweersproken gesteld dat de praktijk heeft laten zien dat appellante in staat is op tijd op haar stageplek te komen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de toegekende CIZ-indicatie verder terecht geen aanleiding gezien arbeidsvermogen uit te sluiten.

4.4.

De in hoger beroep ingediende stukken leiden niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn reactie dat met de zaken die de gedragsdeskundige in haar brief van 8 juli 2019 heeft beschreven, rekening is gehouden bij de beoordeling. Uit de brief van 20 juni 2019 van Amarant over het functioneren van appellante bij [naam bedrijf] blijken opnieuw haar beperkingen en haar begeleidingsbehoefte, maar zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het ontbreken van basale werknemersvaardigheden of het niet een uur aangesloten kunnen werken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft er bovendien terecht op gewezen dat [naam bedrijf] een erkend leerbedrijf is en de taken die appellante daar verricht ook de taken zijn die het Uwv voor haar in het kader van deze beoordeling heeft geselecteerd.

4.5.

Appellante heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het standpunt van het Uwv dat zij een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en ten minste vier uur per dag belastbaar is. Deze voorwaarden behoeven daarom geen verdere bespreking.

4.6.

Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter uit het oogpunt van “equality of arms” gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin de verzekeringsartsen van het Uwv inzichtelijk de informatie van de behandelend artsen hebben betrokken zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen. Twijfel die zou noodzaken om tot het benoemen van een deskundige over te gaan, ontbreekt. Er was voor de rechtbank dan ook geen aanleiding een deskundige te benoemen en ook in hoger beroep is daarvoor geen aanleiding. Het financiële onvermogen dat appellante in dit verband heeft gesteld, behoeft daarom geen bespreking.

4.7.

Gelet op overwegingen 4.2 tot en met 4.6 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellante op de in geding zijnde datum beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. Aan de vraag of dit arbeidsvermogen duurzaam ontbreekt, wordt dan ook niet toegekomen.

4.8.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van

G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2021.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) G.S.M. van Duinkerken