Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1412

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
19/3785 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid onjuist heeft ingeschat. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellante haar eigen werk van productiemedewerker kon verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3785 ZW

Datum uitspraak: 10 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant

van 18 juli 2019, 18/3253 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 29 april 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als productiemedewerker voor gemiddeld 32 uur per week. Op 4 januari 2018 is appellante met terugwerkende kracht vanaf 20 september 2017 ziek gemeld met nek- en schouderklachten. Haar dienstverband is op 31 december 2017 geëindigd. Het Uwv heeft appellante vanaf 1 januari 2018 in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Appellante heeft het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 27 augustus 2018 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van productiemedewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 23 augustus 2018 vastgesteld dat appellante vanaf 27 augustus 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 december 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 december 2018 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig geacht. Daarbij heeft zij van belang geacht dat de verzekeringsarts het dossier heeft bestudeerd, appellante heeft gezien, een anamnese heeft afgenomen en psychisch en lichamelijk onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, appellante gezien en onderzocht op de hoorzitting en de in bezwaar verkregen informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid onjuist heeft ingeschat. Het Uwv is ermee bekend dat appellante pijnklachten van haar nek, schouders en armen heeft, dat zij last heeft van duizeligheid en overgevoelig is voor licht en geluid en dat zij amitriptyline gebruikt. De verzekeringsarts heeft bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen aan de hals, schouders en armen waargenomen. Volgens de verzekeringsarts is sprake van normale grepen en kracht in de handen en normale beweeglijkheid van de schouders en nek, behoudens een blokkade bij retroflexie. Wat betreft de informatie van de bedrijfsarts van 14 november 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat deze informatie ziet op een datum die ver ligt voor de datum in geding en dat het oordeel van de bedrijfsarts tot stand is gekomen op grond van een zeer beperkte anamnese zonder lichamelijk onderzoek en zonder gegevens van de behandelend arts. Over de door appellante ingebrachte informatie van de neuroloog heeft de rechtbank overwogen dat uit de MRI- en CT-scan van januari 2018 geen bijzonderheden bleken. Wat betreft het werk van appellante is de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat dit niet belastend is voor nek, schouder en armen, omdat er voldoende variatie tussen staan en lopen is, appellante niet frequent en/of zwaar hoeft te tillen en zij haar halswervelkolom niet in de eindstanden hoeft te brengen of langdurig statisch hoeft te belasten. De rechtbank heeft geen grond gezien voor twijfel aan deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij op en na 27 augustus 2018 ongeschikt dient te worden geacht voor haar eigen werk. Appellante is van mening dat de klachten en beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Zij heeft informatie van i-psy van 23 september 2019 ingebracht, waaruit volgt dat de diagnoses PTSS en depressieve stoornis zijn gesteld. Ook is appellante bekend met whiplash-achtige klachten. Zij heeft nek en schouderklachten met uitstraling naar haar armen en kampt met psychische klachten, vermoeidheid, slapeloosheid en concentratie- en geheugenproblemen. Appellante heeft verder een brief van 1 februari 2019 overgelegd van haar neuroloog die ziet op haar situatie ten tijde van het laatste consult op 5 februari 2018 en een brief van haar huisarts. Appellante heeft verder gesteld dat niet is gebleken dat het Uwv het protocol Whiplash Associated Disorder (WAD) heeft nageleefd. Daarnaast heeft de rechtbank volgens appellante ten onrechte de stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat haar werk niet belastend is voor de nek, schouders en armen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid onjuist heeft ingeschat. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. De stukken die appellante in hoger beroep heeft ingebracht van de neuroloog, i-psy en de huisarts leiden niet tot een ander oordeel, omdat deze geen ander licht werpen op de medische situatie van appellante op de datum in geding. De neuroloog heeft in zijn brief van 1 februari 2019 vermeld dat hij appellante sinds februari 2018 niet meer heeft gezien en in zijn brief van 5 februari 2018 heeft de neuroloog geconcludeerd dat er geen neurologische verklaring is voor de klachten van appellante. Daarnaast geeft de informatie van i-psy van 23 september 2019 een beeld van de psychische situatie van appellante ruime tijd na de datum in geding. Dat appellante volgens het huisartsenjournaal op 23 oktober 2017 heeft gemeld dat zij sinds een paar weken dingen ziet die er niet zijn, biedt onvoldoende steun om aan te nemen dat de in de brief van i-psy vastgestelde diagnoses PTSS en lichte depressieve stoornis, ook aanwezig waren op de datum in geding. Bovendien kan enkel op grond van de gestelde diagnoses naar aanleiding van het intakegesprek niet worden aangenomen dat de psychische klachten door de verzekeringsartsen zijn onderschat. Een diagnose als zodanig is niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid. In een individuele situatie moet steeds worden beoordeeld in hoeverre sprake is van objectieve beperkingen tot het verrichten van arbeid.1 Uit het rapport van 22 augustus 2018 van de verzekeringsarts volgt dat rekening is gehouden met psychische klachten van appellante en dat bij de beoordeling door de verzekeringsarts is uitgegaan van een milde depressie.

4.3.

De grond van appellante dat uit het onderzoek ten onrechte niet blijkt dat het Uwv het protocol WAD heeft nageleefd, leidt evenmin tot een ander oordeel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, dienen de protocollen als hulpmiddel voor de verzekeringsarts bij het medisch onderzoek.2 Dat de verzekeringsartsen niet expliciet hebben verwezen naar het protocol, doet er niet aan af dat uit het onderzoek blijkt dat bij de beoordeling rekening is gehouden met klachten als gevolg van een WAD graad I/II.

4.4.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat er geen reden is voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het werk van appellante niet belastend is voor nek, schoudergordel en armen. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat voorafgaand aan deze conclusie tijdens de hoorzitting door appellante een beschrijving is gegeven van haar werkzaamheden en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van deze beschrijving is uitgegaan. Appellante heeft niet onderbouwd dat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellante per 27 augustus 2018 haar eigen werk van productiemedewerker kon verrichten en geen recht meer heeft op ziekengeld.

4.5.

Het ter zitting gedane verzoek van appellante om een onafhankelijk deskundige te benoemen wordt afgewezen, omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv ontbreekt.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van
A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2021.

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) A.M.M. Chevalier

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:976.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7873.