Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1408

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
18/5850 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat als gevolg van de arbeidsinkomsten van appellante de Wajonguitkering van 1 november 2013 tot en met 31 oktober 2014 tot een te hoog bedrag is uitbetaald. De grond van appellante dat het voor haar redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat zij een te hoog bedrag aan Wajong-uitkering ontving, slaagt niet. Vanwege het feit dat appellante over deze periode zowel salaris als Wajong-uitkering heeft ontvangen, had het haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de Wajong-uitkering tot een te hoog bedrag werd uitbetaald. Appellante heeft haar werkzaamheden en inkomsten aan het Uwv doorgegeven. Dit wijst er ook op dat het appellante duidelijk was dat het ontvangen van inkomsten gevolgen voor haar Wajong uitkering kon hebben. Het Uwv heeft de te veel betaalde Wajong-uitkering daarom terecht van appellante teruggevorderd. De grond van appellante dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, slaagt ook niet. De grond van appellante dat het Uwv ten onrechte bruto uitkering heeft teruggevorderd, slaagt evenmin. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5850 WAJONG

Datum uitspraak: 10 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

28 september 2018, 18/1221 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 13 december 2018 heeft mr. W. Kort zich als gemachtigde gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 29 april 2021. Daaraan heeft appellante deelgenomen, bijgestaan door mr. Kort. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E Moerman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellante is sinds 2006 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2.

Appellante heeft van 1 november 2013 tot 1 november 2014 gewerkt voor het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en heeft een inkomen ontvangen.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 13 juli 2016 vastgesteld dat appellante geen arbeidsvermogen heeft.

1.4.

Bij besluit van 6 september 2017 heeft het Uwv appellante laten weten dat de Wajonguitkering over de periode van 1 november 2013 tot en met 31 oktober 2014 niet wordt uitbetaald en de over deze periode betaalde Wajong-uitkering van € 14.546,06 (bruto) van appellante teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 14 februari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 september 2017 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv op grond van artikel 3:56 van de Wajong verplicht is om onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen, ongeacht wiens schuld het is dat de terugvordering is ontstaan. Nu sprake is van onverschuldigde betaalde uitkering over de periode van 1 november 2013 tot en met

31 oktober 2014 en appellante de hoogte en berekening van het teruggevorderde bedrag niet heeft betwist, heeft het Uwv terecht het onverschuldigde bedrag aan uitkering van € 14.546,06 (bruto) teruggevorderd van appellante.

2.2.

Van gehele of gedeeltelijke terugvordering kan het Uwv afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De dringende redenen kunnen volgens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3974) slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale gevolgen van de terugvordering voor de betrokkene. Er moet dan iets bijzonders en uitzonderlijks aan de orde zijn, wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn. De slechte financiële situatie van appellante en de overlast die zij ervaart in haar woonsituatie, zijn volgens de rechtbank geen dringende redenen als hiervoor bedoeld.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het haar redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat zij een te hoog bedrag aan Wajong-uitkering ontving. Zij had een arbeidsconflict met de werkgever waardoor er ontslag volgde. Dit ontslag werd later teruggedraaid en zij is toen op een andere afdeling gaan werken, waarna zij weer werd ontslagen. Zij was door de onduidelijkheid over haar dienstverband in de veronderstelling dat zij geen recht had op salaris. Bovendien heeft zij haar inkomsten steeds aan het Uwv doorgegeven. Het Uwv heeft daar veel te laat op gereageerd. Appellante is daarnaast van mening dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien, omdat zij veel kosten heeft gemaakt vanwege een verhuizing en een medische behandeling. Voorts heeft het Uwv ten onrechte bruto-uitkering teruggevorderd in plaats van netto-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Artikel 3:48 van de Wajong bevat een regeling voor het geval een jonggehandicapte inkomen geniet door arbeid te gaan verrichten. Hierin is onder meer bepaald dat die inkomsten worden verrekend met de uitkering en dat de uitkering in zoverre niet wordt betaald.

4.1.2.

Op grond van artikel 3:56, eerste lid, van de Wajong wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd. Op grond van het zesde lid kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2.

Niet in geschil is dat als gevolg van de arbeidsinkomsten van appellante de Wajonguitkering van 1 november 2013 tot en met 31 oktober 2014 tot een te hoog bedrag is uitbetaald. De grond van appellante dat het voor haar redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat zij een te hoog bedrag aan Wajong-uitkering ontving, slaagt niet. Vanwege het feit dat appellante over deze periode zowel salaris als Wajong-uitkering heeft ontvangen, had het haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de Wajong-uitkering tot een te hoog bedrag werd uitbetaald. Appellante heeft haar werkzaamheden en inkomsten aan het Uwv doorgegeven. Dit wijst er ook op dat het appellante duidelijk was dat het ontvangen van inkomsten gevolgen voor haar Wajong uitkering kon hebben. Dat het voor appellante niet zeker was of zij recht had op salaris vanwege de onduidelijkheid over het dienstverband doet daar niet aan af. Dat appellante haar inkomsten bij het Uwv had opgegeven, maakt niet dat het Uwv van terugvordering kon afzien. Het Uwv heeft de te veel betaalde Wajong-uitkering daarom terecht van appellante teruggevorderd.

4.3.

De grond van appellante dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, slaagt ook niet. Ter zitting is vastgesteld dat appellante het teruggevorderde bedrag heeft terugbetaald. Ondanks de hoge kosten die appellante naar eigen zeggen heeft moeten maken, was zij dus tot terugbetaling in staat. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt dan niet in te zien dat de terugvordering voor appellante onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen heeft.

4.4.

De grond van appellante dat het Uwv ten onrechte bruto uitkering heeft teruggevorderd, slaagt evenmin. De terugvordering door het Uwv van te veel betaalde bedragen vindt plaats op basis van het bruto bedrag, indien de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten. Als wordt betaald binnen hetzelfde lopende boekjaar als waarin de onverschuldigde betaling plaatsvond, kan wel worden volstaan met terugbetaling van het nettobedrag, omdat het Uwv de loonheffing dan nog kan verrekenen met de Belastingdienst. Dit is volgens vaste rechtspraak van de Raad een niet onjuiste handelwijze (zie bijvoorbeeld ECLI:CRVB:2010:BO4405 en ECLI:CRVB:2010:BL7844). Appellante heeft zelf de mogelijkheid om aan de Belastingdienst om teruggave te vragen van eventueel te veel ingehouden loonheffing. Gelet op het voorgaande heeft het Uwv terecht het brutobedrag teruggevorderd.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2021.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) B.V.K. de Louw