Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1402

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
19/3721 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om in de situatie van appellant een bijzonder geval aan te nemen. Er zijn geen bijzondere (medische) omstandigheden die de late aanvraag rechtvaardigen. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant met hulp van zijn zus op 23 februari 2011 een uitkering op grond van de Wet WIA heeft aangevraagd en dat door of namens appellant ook eerder bijstand op grond van de Wet werk en bijstand, en later de Participatiewet, is aangevraagd. Namens appellant is in het kader van zijn WIA-aanvraag aangevoerd dat hij vanaf zijn achttiende arbeidsongeschikt is en dat hij nooit gewerkt heeft. Hieruit blijkt van het besef bij appellant dat hij problemen in zijn gezondheid heeft die arbeidsbeperkingen veroorzaken. Aannemelijk is dan ook dat appellant al in 2011 inzicht had in de ernst van zijn aandoening en de gevolgen voor zijn arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3721 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

19 juli 2019, 19/393 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 10 juni 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2021. Voor appellant is via videobellen mr. Van der Wal verschenen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1973, heeft met een door het Uwv op 26 februari 2018 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om een beoordeling arbeidsvermogen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij heeft appellant vermeld dat hij door psychische en lichamelijke klachten belemmeringen ondervindt bij het vinden van een baan (en daarom deelneemt aan dagbesteding), moeite heeft met administratie (dit is overgenomen door een bewindvoerder) en moeite heeft met de huishouding (waarvoor hij dagelijks begeleiding krijgt). Een verzekeringsarts heeft onderzoek verricht. Bij besluit van 28 juni 2018 heeft het Uwv appellant met ingang van 26 februari 2017, één jaar voor de datum waarop het Uwv de aanvraag van appellant heeft ontvangen, in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Dit berust op het standpunt dat bij appellant sprake is van een situatie waarin benutbare mogelijkheden ontbreken door ziekte.

1.2.

Bij besluit van 10 december 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2018 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hiertoe overwogen dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong op grond waarvan de uitkering eerder zou kunnen ingaan dan een jaar voor de datum van de aanvraag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv de ernst van de problematiek bij appellant heeft onderkend, maar dat niet is gebleken dat appellant gedurende 27 jaar (na zijn achttiende verjaardag tot datum aanvraag) buiten staat is geweest om een Wajong-uitkering aan te vragen. De rechtbank heeft meegewogen dat appellant in 2007 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand heeft aangevraagd en verkregen heeft en dat appellant met hulp van zijn zus in 2011 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft aangevraagd. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat indien er al sprake was van een bijzonder geval, het de vraag blijft of appellant er financieel mee op schiet omdat de uitkering verrekend moet worden met de bijstandsuitkering.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat er sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan hem vanaf zijn achttiende verjaardag een Wajong-uitkering moet worden toegekend. Appellant is gedurende een periode van 27 jaar niet in staat geweest een Wajonguitkering aan te vragen. Ook heeft appellant een financieel belang, omdat hij periodes geen inkomsten heeft gehad.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 3:29, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. In afwijking van het eerste lid bepaalt het tweede lid van dat artikel dat de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

4.2.

Uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2223, en de uitspraak van 6 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:36) blijkt dat sprake is van een bijzonder geval, indien de betrokkene ter zake van de te late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Dit kan het geval zijn indien bij betrokkene eerst op een later tijdstip een duidelijk inzicht is ontstaan in de ernst van de aandoening en de gevolgen daarvan voor zijn arbeidsgeschiktheid.

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om in de situatie van appellant een bijzonder geval aan te nemen. Er zijn geen bijzondere (medische) omstandigheden die de late aanvraag rechtvaardigen. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant met hulp van zijn zus op 23 februari 2011 een uitkering op grond van de Wet WIA heeft aangevraagd en dat door of namens appellant ook eerder bijstand op grond van de Wet werk en bijstand, en later de Participatiewet, is aangevraagd. Namens appellant is in het kader van zijn WIA-aanvraag aangevoerd dat hij vanaf zijn achttiende arbeidsongeschikt is en dat hij nooit gewerkt heeft. Hieruit blijkt van het besef bij appellant dat hij problemen in zijn gezondheid heeft die arbeidsbeperkingen veroorzaken. Uit het besluit van 3 maart 2011 waarbij de aanvraag van appellant om een WIA-uitkering is afgewezen, omdat niet gebleken is dat appellant verzekerd is geweest voor de WIA, blijkt ook dat het Uwv appellant gewezen heeft op een mogelijke aanspraak op een Wajong-uitkering. Bij de heroverweging in bezwaar heeft het Uwv appellant, in reactie op het in het bezwaarschrift vervatte verzoek van de bewindvoerder van appellant om toezending van een aanvraagformulier voor het doen van een Wajong-aanvraag, verwezen naar de website van het Uwv waar een aanvraagformulier voor het doen van een Wajong aanvraag te downloaden is. De zus van appellant heeft op de hoorzitting verklaard dat zij in 2011 heeft afgezien van het indienen van een Wajongaanvraag, omdat appellant gedetineerd was en zij bij de voorbereiding van de aanvraag moeilijkheden ondervond bij het verzamelen van informatie. Aannemelijk is dan ook dat appellant al in 2011 inzicht had in de ernst van zijn aandoening en de gevolgen voor zijn arbeidsongeschiktheid.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2021.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) B.V.K. de Louw