Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
20/1139 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:998, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand. Appellante is niet op het eerste gesprek verschenen en heeft dat ook niet binnen de in het opschortingsbesluit vermelde termijn hersteld door op het tweede gesprek te verschijnen. De beroepsgrond dat dit haar niet te verwijten valt, slaagt niet. Niet in geschil is dat de brief met de uitnodiging voor het eerste en het opschortingsbesluit met de uitnodiging voor het tweede gesprek zijn bezorgd in de brievenbus van appellante. Dat die brief en het besluit vervolgens mogelijk door toedoen van de ex-partner van appellate in het ongerede zijn geraakt, komt voor rekening en risico van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1139 PW

Datum uitspraak: 25 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
7 februari 2020, 19/2658 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Vaardingen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 8 oktober 2009 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Bij brief van 23 oktober 2018 heeft een bijzonder controleur van Stroomopwaarts MVS, dat namens het college de PW uitvoert, appellante uitgenodigd voor een gesprek op 29 oktober 2018. Appellante is daarbij verzocht nader genoemde gegevens mee te nemen. Appellante heeft op 26 oktober 2018 gebeld om de afspraak vanwege ziekte af te zeggen. Daarop heeft de bijzonder controleur op 29 oktober 2018 met appellante gebeld en aangekondigd dat zij opnieuw zal worden uitgenodigd voor een gesprek. Bij brief van 29 oktober 2018 heeft de bijzonder controleur appellante uitgenodigd voor een gesprek op 5 november 2018. Appellante is daarbij verzocht de eerder gevraagde gegevens mee te nemen. Appellante is niet verschenen.

1.3.

Bij besluit van 5 november 2018 (opschortingsbesluit) heeft het college het recht op bijstand met ingang van 5 november 2018 tijdelijk stopgezet (lees: opgeschort), omdat appellante niet verschenen is op het gesprek van die dag. Hierbij heeft het college appellante om het verzuim te herstellen opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 12 november 2018, met medeneming van de gevraagde gegevens. Appellante is niet verschenen.

1.4.

Bij besluit van 13 november 2018 heeft het college het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 5 november 2018 ingetrokken op de grond dat appellante zonder bericht niet is verschenen op de afspraak op 5 november 2018 en ook niet op de afspraak van 12 november 2018.

1.5.

Bij besluit van 15 april 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 5 en 13 november 2018 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de PW heeft de bijstandverlenende instantie de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent. Ingevolge het vierde lid kan de bijstandverlenende instantie de bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort als de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor door de bijstandverlenende instantie gestelde termijn.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of de bijstandverlenende instantie op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

4.3.

Vaststaat dat appellante niet op het gesprek van 5 november 2018 is verschenen en dat zij dat ook niet binnen de in het opschortingsbesluit vermelde termijn heeft hersteld door op het gesprek van 12 november 2018 te verschijnen. Appellante heeft aangevoerd dat dit haar niet te verwijten valt. Daartoe heeft zij gesteld dat zij door toedoen van haar ex-partner niet kon beschikken over haar post. Haar ex-partner ontvreemde post uit haar brievenbus. Zij heeft, toen zij dat bemerkte, adequaat gehandeld door het slot op haar brievenbus te vervangen.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat de brief met de uitnodiging voor het gesprek op 5 november 2018 en het opschortingsbesluit met de uitnodiging voor het gesprek op 12 november 2018 zijn bezorgd in de brievenbus van appellante. Dat die brief en het besluit vervolgens mogelijk door toedoen van de ex partner van appellate in het ongerede zijn geraakt, komt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:694) voor rekening en risico van appellante.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2021.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) R.B.E. van Nimwegen